De lol gaat er af voor Deense werklozen

In Denemarken is de werkloosheid door de crisis omhoog geschoten. De werklozen hebben nog geen financiële problemen, maar de bezorgdheid groeit.

Het zit Hans Dehl (47), werkloos aannemer, niet mee. Op weg naar Kopenhagen krijgt hij op deze grauwe winterochtend een lekke band. Snel monteert hij in de motregen een reservewiel, maar hij komt toch te laat voor het gesprek met de man die over zijn uitkering gaat. En dat zijn in Denemarken afspraken waarvoor je niet te laat wilt komen.

Hans, een gedrongen, goedlachse man met stug, donker haar, zit sinds maart zonder werk. De economische crisis heeft de Deense bouw zwaar getroffen. Lopende projecten worden afgerond, maar niemand waagt zich aan iets nieuws. „Er is geen architect meer die iets tekent en als architecten niet tekenen, komt er voor ons ook niets los.”

Hans maakt deel uit van een klein, maar snel groeiend leger werklozen. Twee jaar geleden kende Denemarken vrijwel geen werkloosheid. De arbeidsmarkt was oververhit. Het officiële werkloosheidspercentage stond op 2,5 procent. Inmiddels staat de teller op 6,9 procent. Tien jaar ging het in Denemarken vooral voorwaarts, nu leren veel Denen dat de economie ook anders kan.

De economische neergang is ook een test voor het befaamde Deense arbeidsmarktmodel. Denemarken maakte wereldwijd furore met een arbeidsmarkt waar mensen eenvoudig ontslagen kunnen worden, maar ook zeker weten dat ze niet aan hun lot worden overgelaten. Denemarken combineerde de royale sociale zekerheid van Zweden met de geringe ontslagbescherming van Groot-Brittannië. Flexicurity werd die aanpak gedoopt, een samentrekking van flexibility en security. Het werd een toverwoord in Europa, zeker nadat de Europese Commissie de Deense aanpak prees als voorbeeldig. Het verhaal ging dat het in Denemarken helemaal niet erg is om werkloos te worden.

De eerste weken vond Hans Dehl werkloosheid inderdaad geen probleem. Integendeel. Hij verbouwde zijn huis en legde een zwembad aan. Inmiddels heeft de verveling toegeslagen en langzaam begint hij zich toch zorgen te maken. „De winter staat voor de deur en kans op een baan is er op zijn vroegst in het voorjaar.”

De werkloosheid is geen financiële ramp. Zijn vrouw werkt in de verpleging en het huis heeft Hans jaren geleden zelf, goedkoop, gebouwd. „Ik ben nog niet in paniek.” Wel rekende hij al eens uit hoe lang hij het zou kunnen uitzingen. „Twee jaar, daarna wordt het pijnlijk.”

Hans is, zoals veel Denen, tegen werkloosheid verzekerd. Jarenlang betaalde hij een premie van 50 euro per maand aan een werkloosheidsfonds, in zijn geval FTF-A. Nu keert het fonds maandelijks 2.100 euro bruto uit. Dat is nog geen veertig procent van wat hij vorig jaar verdiende. De drie studerende kinderen kan hij minder geld toestoppen dan hij eigenlijk zou willen. „En dit jaar zullen de kerstcadeaus tamelijk klein uitvallen.” Een ramp is het niet, maar de lol gaat er wel een beetje af zo, zegt hij somber.

Het werkloosheidsfonds keert alleen uit als Hans zijn uiterste best doet werk te vinden. En „uiterste best” is in de wet gedefinieerd. Zo moet hij een CV op internet plaatsen en formeel vier sollicitatiebrieven per week de deur uit doen. De wet is geen dode letter: Hans’ inspanningen worden op de voet gevolgd.

Elke drie maanden rijdt Dehl daarom vanuit zijn dorp de 100 kilometer naar de haven van Kopenhagen. In een sober kantoorgebouw van gele baksteen moet hij vertellen wat hij de afgelopen weken heeft gedaan om werk te vinden en wat hij de komende maanden denkt te doen. De beloftes worden vastgelegd in een contract dat hij moet ondertekenen. Wie zijn uiterste best niet doet, raakt zijn uitkering kwijt. „Steeds vaker moet het fonds ertoe overgaan de uitkering op te schorten”, zegt Simon Bijlsma, die bij FTF-A werkzoekenden zoals Hans begeleidt.

In het contract staat ook dat Hans desnoods buiten zijn vakgebied werk moet zoeken. Hij moet werk aannemen dat hij redelijkerwijs kan verrichten, zegt de wet. En ieder gezonde mens kan redelijkerwijs verzocht worden schappen te vullen in de supermarkt, legt Bijlsma uit.

Zover is het voor Hans Dehl nog niet. Hij schrijft brieven en belt iedereen die hij kent. Een baan bij de onderhoudsafdeling van het Deense ministerie van Buitenlandse Zaken liep hij mis omdat zijn Engels niet goed genoeg is. Hij heeft bij het Rode Kruis gesolliciteerd omdat hij twintig jaar geleden eens in een vluchtelingenkamp heeft gewerkt. Hij heeft ook geschreven op twee banen in Groenland. Stiekem hoopt hij dat het niks wordt. „Ik wil helemaal niet weg van huis.”

Kort na Hans Dehl rijdt John Nielsen, voormalig financieel-directeur van een kleine kaasimporteur, voor bij FTF-A. Ook hij heeft geen financiële zorgen. Zijn vrouw heeft een hoge functie bij het Deense postbedrijf. „De rode wijn hoef ik nog niet te laten staan.” Toch speelt de werkloosheid hem parten. „Ik verveel me. Ik heb zelfs tijd om overdag met een journalist te praten!” Hij is even stil, dan: „Het ergste is dat ik na een lange loopbaan moet leren dat niemand op me zit te wachten.”

De werkloosheidsfondsen zijn ooit opgericht door de vakbonden en later omgevormd tot een algemene, maar vrijwillige voorziening. De WW-uitkering blijft altijd op niveau, óók als het aantal uitkeringsgerechtigden, zoals nu, snel stijgt. De overheid past de tekorten van de fondsen dan met belastinggeld bij.

In ruil voor belastinggeld mag de politiek eisen stellen aan werkzoekenden. Tijdens de boom moesten de fondsen iedereen naar de arbeidsmarkt sleuren – ook mensen die volgens de meeste werkgevers eigenlijk niet meer konden werken. De eis van vier sollicitaties per week stamt uit die tijd. Bij FTF-A nemen ze inmiddels genoegen met twee brieven – werkgevers en werkzoekenden werden helemaal gek van al die zinloze sollicitaties. Eén ondernemer kreeg 1.200 brieven op één vacature. „Er is geen werk”, zegt Dehl, „of ik nu vier brieven schrijf of twee.”

Afgezien van kleine fricties, zeggen zowel vakbonden als werkgevers, is de Deense flexicurity in staat om de crisis op te vangen. „De geringe ontslagbescherming bood bedrijven de gelegenheid onmiddellijk na aanvang van de crisis de kosten te verlagen”, zegt Henning Gade van werkgeversfederatie DA. In de bouw geldt een ontslagtermijn van vijf dagen. Jonge industriearbeiders kunnen binnen drie weken op straat staan. Bovendien, zegt Gade, wordt de crisis benut om personeel bij te scholen.

De bonden onderstrepen dat mensen weliswaar snel werkloos zijn geworden maar dat ze dankzij scholing en begeleiding wel bemiddelbaar blijven. „De centrale gedachte is dat mensen weer snel terug kunnen naar een baan”, zegt econoom Lena Larsen van vakverbond LO. „Er zijn nog steeds vacatures en mensen vinden nog steeds werk. Als het systeem goed functioneert zal de werkloosheid bij ons straks eerder dalen dan elders. Ik geloof nog steeds dat dat zal gebeuren.”

Tot die tijd zijn het vooral jongeren die Larsen zorgen baren. In de leeftijdscategorie 16-29 schoot de werkloosheid met 150 procent omhoog. Daar komt nog eens bij dat jongeren vaak niet verzekerd zijn.

Traditioneel werd vrijwel iedereen lid van een werkloosheidsfonds, maar tijdens de boom lieten de nieuwkomers op de arbeidsmarkt de fondsen links liggen. De markt was dominant, de fondsen stonden te boek als een esoterische erfenis uit een socialistisch verleden. Jongeren waren goed opgeleid, de kans op werkloosheid was minimaal. De fondsen waren er voor hun ouders, niet voor hen. In de hippe cafés in Kodbyen, het nieuwe uitgaanscentrum in de oude vleeshallen, sprak men over het besteden van de overwaarde van woningen, niet over de tariefverschillen tussen de werkloosheidsfondsen. En waarom ook: mocht het ondenkbare toch gebeuren, dan was er altijd nog de bijstand.

Jonge bankmedewerkers, die de sanering in de financiële sector niet overleefd hebben, ontdekken nu evenwel met schrik dat de Deense bijstand geen feest is. Wie een uitkering wil, mag vrijwel geen bezittingen hebben. Moet dus eerst de auto verkopen en het spaargeld opeten. Een alleenstaande krijgt dan 1.200 euro bruto, dat is slechts 60 procent van een Deense WW-uitkering. (De Nederlandse bijstand bedraagt in een vergelijkbaar geval 615 euro netto.)

„Jongeren leren nu dat het er op de markt ook anders aan toe kan gaan”, zegt Lars Toft Simonsen, de jurist van werkloosheidsfonds FTF-A. „Het aantal aanvragen voor lidmaatschap groeit snel.” Lid worden mag echter alleen als je al een jaar werkt.

Hans Dehl is blij met zijn verzekering, maar de strikte controle op vindt hij lastig en zinloos. „Uiteindelijk is er maar één persoon die je kan helpen en dat ben je zelf.”

    • Michel Kerres