Christen niet alleen schuldig

Na de oorlog gaven christelijke theologen christenen de schuld voor Jodenvervolging door de eeuwen heen. Maar dat idee is eenzijdig, betoogt historicus Dik van Arkel.

Na de Tweede Wereldoorlog deden zowel katholieke als protestantse theologen schuldbelijdenis voor de Jodenvervolging. Ze achtten het christendom voor deze massamoord verantwoordelijk. „Die visie is te eenzijdig”, zegt Dik van Arkel (85), oud-hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. „De theologen trokken dat boetekleed wel gretig aan, maar het ligt allemaal veel ingewikkelder. Antisemitisme heeft niet alleen te maken met de ambivalente relatie tussen Jodendom en christendom, maar evenzeer met sociaal-economische omstandigheden.”

Gisteren verscheen Van Arkels boek The Drawing of the Mark of Cain, een sociaal-historische analyse van de groei van anti-Joodse stereotypen. Daarin is een groot deel van het antisemitisme-onderzoek dat hij decennia lang verrichtte samengebracht. Het boek werd in het Joods Historisch Museum in ontvangst genomen door burgemeester Cohen van Amsterdam.

In zijn met boeken, kranten en tijdschriften gestoffeerde woning op het terrein van Kasteel Warmelo – waar ooit de moeder van prins Bernhard woonde – vertelt Van Arkel hoe hij na de Tweede Wereldoorlog aan zijn studie begon uit verbijstering over de moord op zes miljoen Joden door de nazi’s. Hoe kon het zo ver komen? Wat was de voorgeschiedenis van het nationaal-socialisme?

Als student verrichtte Van Arkel in 1950 een half jaar bronnenonderzoek aan de universiteit van Göttingen. „Ik verbleef er in een studentenhuis van een door de Gestapo vervolgde Noorse predikant, die daar Duitse en buitenlandse studenten bij elkaar bracht.” Hier legde Van Arkel de basis voor zijn doctoraalscriptie. Met een beurs van de Rockefeller Foundation deed hij vervolgens enkele jaren onderzoek naar de oorsprong van het antisemitisme bij archieven in onder meer Wenen, Londen en Parijs. Zijn proefschrift betrof het antisemitisme in Oostenrijk. Het onderwerp heeft hem daarna nooit meer losgelaten. Vooral de vraag waarom sommige landen wel een antisemitische traditie hebben en andere landen niet, intrigeerde hem.

Van Arkel: „De vernietiging van de Joden door de nazi’s is – ook door de nazi’s zelf – vaak gekoppeld aan het lutheranisme. Luther wordt dan afgeschilderd als een Jodenhater. Zijn opvattingen zouden geleid hebben tot de Holocaust. Maar ook Scandinavië was Luthers. Daar hebben zich wel eens antisemitische incidenten voorgedaan, maar zijn nooit aanzetten geweest tot massamoord op Joden. Het moet dus complexer zijn. Als het christendom inderdaad de belangrijkste aanzet tot Jodenvervolging zou hebben gegeven, dan zouden zeker de Joden in Rome zwaar moeten zijn vervolgd. Maar juist daar genoten ze door de eeuwen heen meer bescherming dan elders, mede dankzij de opstelling van talrijke pausen.”

In zijn boek schetst Van Arkel hoe het uit elkaar groeien van Joden en christendom iets dubbels had. Enerzijds zagen christenen de Joden als een volk dat Gods opdracht had misverstaan door de verwerping van Jezus als Messias. Aan de andere kant was er ook het besef dat de Joden toch Gods uitverkoren volk bleven. Secessie-frictie noemt Van Arkel dat. Joden en christenen stonden tegenover elkaar, maar hadden dezelfde wortels.

Dat dubbele zie je ook bij Luther, aldus Van Arkel. Hij bracht een zuivering in de kerk en hoopte dat dit de bekering van de Joden dichterbij zou brengen. Hij schreef aanvankelijk het filosemitische geschrift Dass Christus ein geborner Jude sei. Toen hij later teleurgesteld raakte over het uitblijven van die bekering verscheen het antisemitische Von der Juden und ihren Lügen.

Tot en met de negende eeuw leefden de Joden in relatieve rust te midden van christenen in Europa, constateert Van Arkel. De kerk had bedenkingen bij de Joodse religie, maar de man in de straat had betrekkelijk weinig moeite met zijn Joodse buurman, met zijn rituelen en gewoontes.

In de tiende eeuw begon de sociaal-economische positie van de Joden te veranderen. Ze raakten hun grondbezit kwijt en konden veel ambachten niet bekleden, omdat ze geen lid van de opkomende gilden konden of wilden worden. Zo kwamen ze aanvankelijk in de handel en vervolgens in de financiering van allerlei activiteiten terecht. Vorsten hadden geld nodig, onder meer omdat ze zich moesten verdedigen tegen de oprukkende islam. Ze financierden dit via Joodse bankiers, die niet gebonden waren aan het kerkelijke renteverbod. Veel Joden wisten zich prominente posten te verwerven aan diverse hoven in Europa. Dat betekende zware lasten voor het gewone volk, dat niet de vorsten maar de Joden erop aankeek. Joden werden met onderdrukking geassocieerd. Ze zouden uit zijn op wereldheerschappij.

De stereotypen van Joden stapelden zich op. In de negentiende eeuw kwam daar het element van racisme bij. Antisemitisme is een specifieke vorm van racisme, aldus Van Arkel. Hij trekt een vergelijking met de positie van de zwarten onder het Apartheidsbewind en in het zuiden van de Verenigde Staten. „Zwarten werden gezien als lui, dom, goedlachs en muzikaal. Als je ze te veel vrijheid gaf, dan kon het gevaarlijk worden. Af en toe moest je hun je vuist laten zien.

„Maar de zwarten waren tegelijk arbeidskrachten, die je niet moest vernietigen. Bij Joden was dat heel anders. Joden werkten zelden in iemands dienst. Haat tegen Joden kon daardoor ontaarden in massaal geweld, want dat had economisch geen negatieve gevolgen.”

Dik van Arkel, The Drawing of the Mark of Cain, A Socio-historical Analysis of the Growth of Anti-Jewish Stereotypes, Amsterdam University Press 588 blz. € 49,50