Zoals egels paren

Na het startschot stoven de wielrenners in Kalmthout over een strook asfalt waar gestrooid was tegen de gladheid. Op weg naar de eerste sneeuwbocht van de veldrit. De achterwielen sproeiden smerig ijswater omhoog in de gezichten.

„Honderd procent pekel! Puur zout dat ze binnenkrijgen.”

Ik nam een slok rode wijn en ging op de bank voor de tv liggen. Vrieskou. Vreselijk. Mij kregen ze deze zondagmiddag met geen stok naar buiten.

Vroeger kon ik in de winter tijdens een schaatstocht de extreme kou vergeten. Eenmaal thuis deed ik mijn paarse vingers onder de oksels van mijn moeder, om vervolgens te grienen bij het voelen van de tintelpijn die pas minuten later omsloeg in kloppende warmte. Ik zwoer nooit, nooit meer met vorst naar buiten te gaan.

Ondertussen reden de renners over het ondergesneeuwde parcours. De Belg Sven Vanthourenhout reed op kop. Een achternaam als de instinker van het nationaal dictee. Hij dook het bos in en slingerde over het glibberpad tussen de dranghekken. Drang was er niet, zelfs het Belgische publiek had het laten afweten in de kou. Het ging sneeuwen. Dit moesten de renners een uur volhouden.

In Nederland bleven de eredivisievoetballers binnen. Alle velden, de ondergrondse verwarming ten spijt, waren afgekeurd door scheidsrechters die na tien passen op het witte veld snel de verwarming van de bestuurskamer opzochten.

Bij het zien van de wielercross kregen de herinneringen aan voetballers in maillots iets potsierlijks. Eigenlijk moeten we alleen de Brazilianen in Hollandse voetbaldienst vergeven dat ze al in de herfst met handschoenen het veld betreden.

De renners in Kalmthout waren begonnen aan de laatste ronden. De Belg Sven Nys nam na een paar slippartijen de leiding. Over de lens van de tv-camera stroomde een beekje ijswater. De leeggereden renners zwalkten door de voren in het onbegaanbare pad. „Zoals egels paren, zo gaan ze hier omhoog. Diepsneeuw is fataal.”

Plotseling bevroor het beeld. Wat op mijn tv overbleef was een stilstaande foto van Nys, omgeven door sneeuwvlokken en digitale tv-korrels. Hij keek fel uit zijn ogen.

„U heeft geen beeld, horen we. Dan maken we radio”, riep de tv-verslaggever. Achter de microfoon schroefden ze het tempo op. Zouden de Belgen ermee zitten dat ze niet voetballen op het WK in Zuid-Afrika? Harde wielersport – zeker de cross in de winter – dát ligt hun na aan het hart.

Winnaar Nys kwam vijf minuten na de finish in beeld, met een ijsmuts op: „Ik heb me zo kwaad gemaakt dat ik niet kon passeren in die sneeuw. Die agressie; ik begon te koken.”

Koken. Hoe kon het woord koken opkomen in zijn onderkoelde hersens? Koken in de sneeuw. Niet zeuren, maar dat afgetrainde, vetloze lijf teisteren in de kou. Gevoelloze tenen en vingers. In het voorjaar noemen ze je flandrien, in de winter een bikkel.

Deze crossmiddag vertelde me alles over de hardheid van deze sport. De schoonheid zit in het verbijten van de pijn. Anders kon ik het niet zien. Als geen andere sport is de wielercross vies, lelijk, zwaar en genadeloos; je eet modder, je pist pekel.

De Vlaamse commentatoren waren terecht euforisch. „Zeg nu zelf, wat kan een mens beter doen op een sneeuwdag, dan thuis de cross kijken.”

Gelukkig. Er waren nog meer koukleumen die vanaf de bank naar deze sport hadden gekeken. Ik hoefde me niet te generen. Toch kreeg ik de neiging om de kachel een streepje lager te zetten, als eerbetoon aan de renners die de vrieskou zonder morren trotseerden.

Wilfried de Jong

    • Wilfried de Jong