Zie mij, kijk mij aan

‘Het is vermoedelijk niets”, zei mijn vriendin, „maar ik vind het zo raar dat er niet echt iemand naar kijkt”.

Ze vertelde over krampen in haar buik, de baarmoeder dacht ze, die ze zo af en toe had. Tja, niet iets waar je meestal erg over praat, maar goed, soms heb je het erover in verband met hoe je je voelt, bij de dokter. Ze was naar de huisarts geweest voor vreemde steken in de onderbuik die ze soms had. Zo, zo, had hij gezegd. Ja, had zij gezegd, ik denk iets met een eierstok?

Hij had haar keurig doorgestuurd om een echo te laten maken en het goede nieuws was: niets te zien aan de eierstokken.

Het werd trouwens al minder.

Toen had ze dus die krampen in haar baarmoeder. Soms. Alsof ze ongesteld moest worden maar dat werd ze niet meer.

Weer naar de dokter. Weer vlot een afspraak bij röntgenologie – niets te zien.

Nu, des te beter.

Maar zei mijn vriendin, het rare is: niemand vraagt echt door of onderzoekt eens wat, de huisarts laat een foto maken, de röntgenlaborant maakt de foto of de echo van het gevraagde onderdeel en dat is dat. Niets te zien.

Wat wil je dan? vroeg ik.

Ik weet het niet, zei ze. Dat iemand, de huisarts of een gynaecoloog, gewoon eens keek en duwde en doorvroeg en iets verstandigs zei. Nu lijkt het steeds of ik alleen maar de drager ben van een bepaalde regio in mijn lichaam die tot het specialisatiegebied van de arts behoort. Die ziet er niets aan en dus heb ik nergens last van.

Ik dacht aan de chirurg die ik ooit sprak en die verontwaardigd veronderstellingen van de hand wees als zou hij niet de patiënten maar vooral de ziekte zien. Welnee! Hij kende zijn patiënten! Als hij bijvoorbeeld een patiënt van járen geleden in de stad tegenkwam, zomaar, dan wist hij meteen: hé dat is die meneer met dat aneurisma vlak onder de schedelrand.

Hij begreep niet dat ik zei dat dát precies was wat ik bedoelde. En waarschijnlijk kon hij dat ook niet begrijpen. Want misschien verwachten wij, patiënten, wel iets van artsen wat ze ons helemaal niet kunnen geven.

We zien ons lichaam zelf gemakkelijk als een soort boodschapper: het vertelt ons van alles over wat er aan de hand is. Die pijn in de schouders en het hoofd: spanning. En die spanning, die komt, ja natuurlijk, nu je erover nadenkt, door de zorgen die je je maakt over iemand van wie je veel houdt en met wie het niet goed gaat en daardoor ben je steeds wat verkrampt.

Dan komt de arts en die zegt: ach ja, u zit verkeerd, u moet een andere bureaustoel kopen.

Ze zal gelijk hebben, maar eigenlijk had je gewild dat die jou zelf bijna onbekende spanningen naar buiten werden gebracht, opgehelderd, begrepen, van je afgenomen, dat je getroost werd en gemasseerd, dat er een oplossing werd gevonden voor je probleem.

Jouw hoogstpersoonlijke probleem. Een oplossing voor jou, als mens. Niet alleen voor die hoofdpijn, maar ook voor je werkdruk, je liefdesleven, je angsten.

Dat kan allemaal niet, dat begrijpt iedereen. Het is een onlogische verwachting, of zelfs niet eens een verwachting. Het is een verlangen. En de dokter kan al heel veel goed doen door de indruk te maken echt naar je te luisteren, door je aan te kijken, door de tijd voor je te nemen, door niet alleen op een scherm te kijken en te zeggen: „geen zorgen mevrouwtje, niets te zien”, maar ook even te vragen: heeft u er vaak last van? Waar zit het dan?

Er wordt nu veel gepraat over het selecteren van studenten geneeskunde op karaktereigenschappen. Dat lijkt ook weer overdreven, sommigen van hen zullen gewoon heel goede onderzoekers worden, anderen gaan een vak doen, radiologie bijvoorbeeld, waarin ze zelden of nooit een patiënt te zien krijgen. Die hoeven niet sociaal te zijn, die moeten gewoon heel goed zijn. Maar verder lijkt het niet zo’n gek idee. Goed zijn en sociaal, dat is geen onmogelijke combinatie.

Maar misschien ligt het probleem toch ingewikkelder. Mijn vriendin had geen klachten over de manier waarop ze door de verschillende artsen was behandeld – welnee, allemaal aardige keurige lui. Maar ze wilde iets anders. Gezien worden. Een verder gaande aandacht. En de kans dat ze die krijgt, met de werkdruk in de gezondheidszorg, de parttime werkende huisartsen die je niet gaan leren kennen, de hoge specialisatiegraad van de behandelaars en de efficiënt geregelde ziekenhuizen, is niet zo groot.

En misschien was het inderdaad ook wel niets, wat ze had, doodnormale overgangsverschijnselen. Weet je veel.

Maar dat is nu juist het punt. Je weet het niet. En de foto’s weten het ook niet. Die stellen gerust zonder gerust te stellen, zonder aanziens des persoons. Letterlijk.

Reageren kan op nrc.nl/vos (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)

    • Marjoleine de Vos