Willekeurig? Het is een zeer legitieme zaak

De zaak biedt gelegenheid om nog eenmaal stil te staan bij ongehoorde misdaden, aldus Harmen van der Wilt.

De berechting van Demjanjuk kan niet ieders goedkeuring wegdragen. Sommige critici, zoals hoogleraar Göran Sluiter hierboven, merken op dat de Duitse justitie na de Tweede Wereldoorlog er nadrukkelijk voor gekozen heeft het lagere, ‘uitvoerend personeel’ van concentratiekampen met rust te laten. Dat beleid zou zelfs verankerd zijn in een – overigens niet gepubliceerde – vervolgingsrichtlijn. Tegen die achtergrond betekent de vervolging en berechting van Demjanjuk een trendbreuk die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Jegens Demjanjuk die al vaker door Justitie is lastiggevallen zou dat uiterst onrechtvaardig zijn, omdat zijn ‘broeders in het kwaad’ ongemoeid zijn gelaten.

De cruciale vraag is of Demjanjuk recht van klagen heeft en zich met vrucht kan beroepen op dat gelijkheidsbeginsel. Ik heb op dat punt toch wat andere opvattingen dan de critici. Allereerst lijkt het mij onjuist om Demjanjuk af te schilderen als een onbeduidend mannetje. Eenieder die actief betrokken is geweest bij het afvoeren van de joden naar de gaskamers, is niet een kleine garnaal. Die betrokkenheid zal dan wel bewezen moeten worden, maar dat is uiteraard de inzet van het strafrechtelijk onderzoek. In de tweede plaats getuigt het beroep op het gelijkheidsbeginsel van een zekere starheid. Inzichten omtrent de opportuniteit van vervolging zijn nu eenmaal aan verandering onderhevig. Zo staan tegenwoordig bij het Joegoslaviëtribunaal leidinggevenden en willing executioners (‘gewillige beulen’, red.) samen in één proces terecht. Daarmee wordt de simpele gedachte tot uitdrukking gebracht dat de één het niet zonder de andere kan stellen.

De afschaffing van verjaring in geval van oorlogsmisdrijven hangt deels samen met de gedachte dat men ruimte wil geven aan ‘voortschrijdend inzicht’. Het is ondenkbaar dat een ‘fout regime’ zijn mensen zal vervolgen. Maar ook na een wisseling van de wacht kunnen autoriteiten soms twijfelachtige motieven hebben om strafrechtelijk niets te ondernemen. Zolang men de mogelijkheid van vervolging openlaat, kan Justitie op zijn schreden terugkeren. De verdachte van oorlogsmisdrijven is zich daar doorgaans goed van bewust. De enige harde eis is dat niemand meer dan eenmaal voor hetzelfde feit strafrechtelijk mag worden vervolgd, maar in het geval van Demjanjuk is dat niet aan de orde.

In het licht van deze algemene overwegingen lijkt mij de vervolging van Demjanjuk niet bij voorbaat kansloos of onrechtvaardig. Die constatering betekent niet dat zijn veroordeling vaststaat. De rechters zullen het bewijs zeer zorgvuldig moeten wegen en zich ook rekenschap moeten geven van de motieven van het Openbaar Ministerie om de vervolging door te zetten. In dat perspectief moet ook enige aandacht worden besteed aan de positie van de nabestaanden. Zij moeten zich terdege realiseren dat de uitkomst van het proces ongewis is. Het lijkt mij ongepast, zo niet moreel verwerpelijk, hun voor te spiegelen dat de veroordeling een gelopen koers is.

Het proces-Demjanjuk biedt de gelegenheid om nog eenmaal publiekelijk stil te staan bij ongehoorde misdaden. Aan deze normexpressieve functie ontleent het proces zijn legitimiteit. De meeste nabestaanden zijn zich van deze functie terdege bewust. Ik heb met verschillenden van hen gesproken. Elke sensatiezucht is hun vreemd. Zij zien het proces als een mogelijkheid om met het verleden in het reine te komen. Dat zijn Duitsland – maar ook andere Europese landen, waaronder Nederland – aan hen verplicht. Want men heeft te lang de andere kant opgekeken.

Harmen van der Wilt is hoogleraar internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij maakt deel uit van de begeleidingsgroep van de ‘Nebenkläger’ (nabestaanden) die het proces-Demjanjuk bijwonen.

    • Harmen van der Wilt