Weg met gebraad en geklief

Echt eerlijk waar: er kwam een roodborstje in de sneeuw op de vensterbank zitten „tiktiktik, laat mij erin, mij erin”.

En het keek er echt guitig bij ook. Een winterse sfeer en dito gezelligheid, daar ontbreekt het dus niet aan. Daaraan ligt het niet als ik maar geen ideeën krijg voor kerstdiners en sterker nog: helemaal geen zin heb in kerstdiners.

Ik bladerde in Elizabeth Davids boek Christmas, vol recepten en ideeën in kerstsfeer, en de inleiding daarvan deed mij steeds begripvol knikken. De inleiding komt erop neer dat Kerstmis een hoop gedoe is met veel te veel gerooster, geklief, gebraad, gestoom, gehak, te veel vet en zoetigheid en haast. En dat het oneindig te prefereren zou zijn om lekker alleen of met z’n tweeën of eventueel met een paar, (weinig!) volwassenen iets kerstigs te doen.

Juist!

En zo gezegd zo gedaan – wie zegt dat er grote diners aangericht moeten worden? Alle bladen koken nu voor tien personen, maar wat als je daar geen behoefte aan hebt? En wat de dag ná het kerstdiner?

Laten we ons, dacht ik, concentreren op een paar gezellige dingen. Lekkere hapjes die weinig werk zijn, en paar leuke salades voor als je geen vlees meer kunt zien, misschien een soep die je van tevoren maakt en die op elke moment op elke Kerstdag of na-Kerstdag ingezet kan worden voor de hartige trek. Gewoon de lichtjes aan en luieren met een citroentulband. Verse pasta maken met iets lichts. Vooraf een krabsalade in het pantser opgediend – dat is zo lekker! Wel eventjes een gedoe, maar als je toch geen kalkoen hoeft te vullen, dan is een krab koken en leeg peuteren niet bepaald te veel gevraagd.

Dat eerst maar doen dan? Ideaal en heerlijk bij een glas droge witte wijn.

Kies bij voorkeur een mannetjeskrab, die hebben meer vlees. Ze zijn te herkennen aan de smallere staartstukje dat tegen het pantser aanligt. Laat de vishandelaar de krab doodmaken, snel ermee naar huis en kook hem dan direct een half uurtje in zacht sudderend water met een laurierblaadje en een paar peperkorrels.

Nu komt het grote kraken en pulken. Leg de krab met het pantser naar beneden en draai één voor één de poten eraf. Zet een scherp mes daar waar de rand van het bovenpantser eindigt en het zachtere onderstuk begint. Steek een paar keer en wrik wat, na eventjes kun je het hele onderstuk eruit halen. Aan het onderstuk zitten de ingewanden vast; een beetje harige grijze vinnen. Die worden niet gegeten, voor de rest alles wel, ook, nee juist, de bruingrijze smurrie en de bruinrode bekleding aan de binnenkant van het pantser. Schep die er met een theelepeltje uit en doe apart in een klein kommetje.

Snijd het onderstuk doormidden en verwijder al het witte vlees uit holten en gaten, wrik stukjes kraakbeen los om er goed bij te kunnen. Schep ook het pantser leeg. Gebruik de notenkraker voor de poten en haal ook daar al het witroze vlees uit, doe het bij elkaar in een schaaltje. Maak het pantser schoon zodat het zo meteen als opdienschaal kan dienen.

Wrijf in een vijzel de hardgekookte eierdooiers fijn, met de mosterd en de bruine smurrie. Voeg olijfolie en citroensap toe en kruid met peper en zout. Schep deze saus door het witte krabvlees en schep het geheel terug in het pantser. Geroosterd witbrood erbij, beetje boter – gloria!