Toneel-Kees blijft dicht bij het boek

Jeugdtheater Kees de jongen, door de Toneelmakerij, vanaf 8 jaar. Gezien 18/12 Stadsschouwburg Haarlem. Tournee t/m 21/02 www.toneelmakerij.nl. ****

Hoe zou de zwembadpas er toch hebben uitgezien, die van Kees Bakels, zowat de belangrijkste jongen die ooit bestaan heeft? Zelfs op YouTube staan interpretaties van het fenomeen en de Toneelmakerij heeft er nu ook een. Het Amsterdamse theatergezelschap maakte van Kees de jongen een familievoorstelling op basis van de toneeltekst van Gerben Hellinga uit 1970.

In deze versie zijn er twee Kezen: een in de werkelijkheid en een in zijn dagdromen. Een uitkomst, want zo is meteen duidelijk wat Kees echt doet en wat hij zou wíllen doen. Aanvankelijk is de droom-Kees de schaduw van echte Kees, hun bewegingen lopen synchroon, maar ze raken steeds meer van elkaar verwijderd en maken zelfs ruzie. Bijvoorbeeld als zijn vader net begraven is en Kees aan Rosa Overbeek denkt. Dan zegt droom-Kees tegen echte Kees: „Wat een rotstreek van je om nou aan die meid te denken.”

Ieder kind droomt ervan dat zijn verborgen kwaliteiten worden ontdekt; en iedereen herkent zich in Kees, de jongen met zijn dagdromen. Daarom heeft Kees de jongen, het bekendste boek van Theo Thijssen, bijna 87 jaar na het verschijnen niets aan kracht ingeboet. Een andere grote kracht van de roman is de taal: vooroorlogs, volks Amsterdams. Gerben Hellinga heeft de woorden van Thijssen met respect behandeld. Ook zijn Kees heeft ‘eeuwig’ als stopwoord; „eeuwig stom”, „eeuwig beleefd” en „een eeuwige hoop dingen waar je aan denken moet”, komen voorbij. Maar ook prachtzinnen als „Ik moet feitelijk een atlas hebben nou.”

Stonden er in 1970 nog twintig acteurs op het podium, nu zijn het er nog maar negen. Ze spelen voor een achterdoek met wolkenlucht, in een decor met Amsterdamse boogbruggen. Twee ervan zijn misschien de Kees de Jongenbrug en de Rosa Overbeekbrug die inmiddels echt bestaan. Of het zijn de bruggen die Kees bouwt van werkelijkheid naar fantasie.

De acteurs verkleden zich doorlopend voor alle dubbelrollen, het is een komen en gaan van snorren en pruiken. Vooral Rop Verheijen valt daarbij op. Hij is opa, onderwijzer, Fransman, baas bij Stark en co en nog veel meer. Met zijn kapsel en gezichtshaar veranderen zijn accent en bewegingen. Opa is een mooie stramme kwaaie, de Fransman een lachwekkende hautaine kwast. De kleding past bij de tijd, eind negentiende eeuw, met petten, lange rokken en vestjes. Maar alle kostuums zijn voorzien van kleine en grotere cirkels, en felle kleuren breken het crisisbruin.

Theo Nijland en Maarten van Roozendaal schreven zeven liederen voor de nieuwe Kees. Kees en Rosa krijgen een liefdesduet. Moeder Tamar van den Dop zingt het beeldschone Lied van de moeder, begeleid door trompet en gitaar, Rop Verheijen zingt een even schoon lied, met weer prominent aanwezig trompet, en ook accordeon dit keer. Regisseur Liesbeth Coltof heeft er goed aan gedaan, want door de liedjes krijgen bepaalde scènes meer nadruk. Ze heeft geen musical van ‘Kees’ willen maken, maar terecht besloten dat het teksttheater moest blijven.

Deze Kees de jongen is met liefde gemaakt en met plezier gespeeld, maar wat erop af te dingen is, is dat er maar weinig te lachen valt. Terwijl het boek toch zo geestig is. Bovendien is de voorstelling te lang. Schrapsuggesties: kleermaker Christiaan Kraak en juffrouw Dubois met haar ‘ouwe theezeil’.

Het is de vraag of een jong publiek dat de roman niet kent tweeënhalf uur de aandacht erbij kan houden. Misschien is deze voorstelling ook wel gewoon voor volwassenen, net als het boek.

    • Elisabeth Heijkoop