Oh's en ah's voor flikflaks en hoelahoeps

Het jaarlijkse Gymgala trekt over vier dagen ruim tienduizend toeschouwers. Het turnen is bijzaak; het publiek wil vermaak. „We hebben iets moois in handen waar de mensen nooit genoeg van krijgen.”

Een half uur na afloop van het Gymgala gaat het nieuwe Nederlandse turnidool Epke Zonderland nóg verscholen achter handtekeningenjagers. Bovenin de viplounge van het Topsportcentrum in Almere drinkt bondscoach Bram van Bokhoven een biertje en aanschouwt het tafereel met een mengeling van trots en verwondering. „Elk jaar verbaas ik me over de grote belangstelling. Bij WK-kwalificatiewedstrijden zit geen hond op de tribune, maar voor het Gymgala stromen grote hallen vier avonden moeiteloos vol. Onbegrijpelijk.”

Maar Van Bokhoven kijkt door een topsportbril, waar Barend Breukink, bedenker van het jaarlijkse turnfestival, weet dat de combinatie van entertainment en turnen het Gymgala tot een succes heeft gemaakt. Maar de show staat voorop, turnen is bijzaak. Waarmee niet is gezegd, dat er tijdens het gala slecht geturnd wordt. Integendeel, het niveau is bij vlagen adembenemend hoog, alleen heet het tijdens een gala acrobatiek.

Oh ja, er wordt ook nog echt geturnd. Door het programma heen zijn ‘duels der giganten’ gevlochten. Onder het deskundige oog van twee juryleden gaan vier keer twee turners met elkaar de strijd aan om een cheque van vijfhonderd euro. Zonderland, de kersverse Sportman van het Jaar, won in Almere een wedstrijdje rek-turnen van Igor Cassina, de Italiaanse olympisch kampioen van 2004. Jeffrey Wammes duelleerde op vloer met de Roemeense wereldkampioen Marian Dragulescu. Hij verloor. En Mayra Kroonen streed op balk tegen de Zwitserse Ariella Kaeslin, die dit jaar Europees kampioen op sprong werd. Ook Kroonen greep naast de voor turners lucratieve geldprijs.

Die duels werden gewaardeerd door het publiek. Maar de oh’s en ah’s klonken vooral bij acrogymnasten uit Rusland, België en Engeland, breakdancers uit Duitsland, Nederland en Frankrijk, Deense springkinderen – inclusief een geslaagde wereldrecordpoging hoelahoep – en ’s werelds vijf beste tumblinggymnasten met hun in razend tempo uitgevoerde overslagen, flikflaks, salto’s en schroeven. Een avondje Gymgala betekent geen gedoe met ingewikkelde scores, maar gewoon rechttoe-rechtaan vermaak.

Dat is wat het publiek wil, weet Breukink. De 62-jarige creatieve geest uit het Overijsselse Bathmen bedacht het Gymgala vijftien jaar geleden, toen hij nog als voorlichter bij de turnbond werkte. Nu runt hij een zelfstandig evenementenbureau. Breukink: „Hoe ik op een gala kwam? Eigenlijk simpel. De bond had destijds geen eigen evenement en geen sponsors. En om sponsors te werven, moet je een evenement organiseren. Ik vond bovendien dat turnen iets eigens moest hebben, een klassier waarmee we onze achterban kunnen plezieren, zeg maar een jaarlijks cadeautje voor de leden. Zoals schaken het Hoogovenstoernooi heeft, zeilen de Sneekweek en motorsport de TT-races, zo hebben wij nu het Gymgala. We begonnen op regionaal niveau in sporthallen, maar we zijn de provincie allang ontgroeid. We komen alleen in zalen met een capaciteit van ten minste drieduizend toeschouwers.”

Intussen is het Gymgala uitgegroeid tot een reizend circus van ongeveer 130 personen. Dit jaar is het uitgebreid met een vierde, extra voorstelling. In Rotterdam, als promotie van de wereldkampioenschappen turnen die volgend jaar oktober in Ahoy worden gehouden. „Maar het valt niet mee steeds weer een hoogwaardig programma samen te stellen”, zegt Frans Koffrie, oud-voorzitter van de turnbond, maar nog wel voorzitter van het organisatiecomité. „Door de concurrentie van Kerstcircussen wordt het moeilijker spectaculaire acts vast te leggen.”

Gelukkig voor Koffrie kan de organisatie terugvallen op een betrouwbare sponsor, want verzekeraar Univé verbindt ook al vijftien jaar zijn naam aan het gala. Weliswaar voor telkens een jaar, maar Breukink maakt zich geen zorgen voor de lange termijn. Omdat het Gymgala volgens hem een sterke merknaam is. En met een begroting van 300.000 euro heeft Breukink, die verantwoordelijk is voor het programma, een behoorlijke armslag bij de samenstelling van een voorstelling. Waarna hij met genoegen vaststelt: „We hebben iets moois in handen waar de mensen nooit genoegen van krijgen.”

Voor de turners, die zich voor deze gelegenheid de rol van artiest aanmeten, zijn het zware dagen. Zij zitten in een rustperiode waarin ontspannen wordt getraind. Pas volgend jaar begint de opbouw naar eerst de EK in Birmingham en later de WK in Rotterdam. Dat laatste toernooi geldt als de eerste kwalificatiewedstrijden voor de Olympische Spelen van 2012 in Londen.

Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Epke Zonderland tegen middernacht kreunend en steunend de zaal uitloopt. „Ik zag erg op tegen het Gymgala”, zegt de turner eerlijk. „Ik ben vorige week teruggekomen van een trainingsstage in Houston en heb een drukke tijd beleefd sinds mijn verkiezing tot Sportman van het Jaar. De eerste avond in Rotterdam ging ook heel slecht, maar vanavond kon ik een goede oefening draaien. Ik voelde me al een stuk beter.”

Zijn tegenstander Cassina kijkt dezer dagen zijn ogen uit. Hij weet niet wat hij meemaakt: vier dagen achtereen een uitverkochte hal voor een showy programma. Ongekend, vindt de turner die bij de laatste wereldkampioenschappen achter de ‘zilveren’ Zonderland derde werd op rek. Oprecht verbaasd: „Nee, een dergelijk gala kennen wij niet in Italië. Ik vind het prachtig. Natuurlijk neem ik de wedstrijd serieus. Dat moet wel, want daarvoor is een rekoefening te riskant. Ik kan het me niet permitteren geblesseerd te raken. Bovendien vind ik het niet leuk van Epke te verliezen. Zeker, het geld is ook meegenomen. Zoveel verdienen wij turners niet.”

Maar voldoet het Gymgala ook aan de opzet om turnen te populariseren? Televisiecommentator Hans van Zetten denkt van wel. Als liefhebber is het volgens hem goed dat het overwegend jonge publiek – „ik zie weinig dikkertjes, dus ik neem aan voornamelijk turners” – de spectaculaire kant van turnen wordt getoond. „Dat stimuleert alleen maar.”

    • Henk Stouwdam