Moreel gelijk levert klimaat niets op

Nu blijkt dat het niet lukt om overeenstemming te bereiken over CO2-emissies, moeten we afspraken maken over technologie, stelt Heleen de Coninck.

De vijftiende ‘Conference of Parties’ in Kopenhagen, die moest resulteren in een bindend internationaal klimaatverdrag, heeft niet geleid tot een geloofwaardig akkoord. Hoe graag wereldleiders en onderhandelaars anders roepen, dit is de enig mogelijke conclusie.

Waarom is het zo moeilijk om afspraken over klimaatverandering te maken? Het belangrijkste argument om klimaatverandering te voorkomen is dat op de lange termijn de kosten van het aanpakken van klimaatverandering vele malen lager zijn dan de uiteindelijke baten. Die kosten-batenanalyse verandert echter als je hem op landniveau uitvoert en op de korte termijn betrekt. Landen als de Verenigde Staten verdienen weinig aan het voorkomen van een veranderd klimaat, maar maken hoge kosten als ze emissies fors zouden reduceren. De diepe emissiereducties die de Verenigde Staten zou moeten doorvoeren, vergen niets minder dan een energierevolutie en enorme structuurveranderingen in het heersende economische systeem. Voor veel ontwikkelingslanden geldt het omgekeerde: ze zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, maar stoten zelf nauwelijks broeikasgassen uit.

Wat er normaal gebeurt in zo’n situatie is dat de ‘slachtoffers’ (de kwetsbare ontwikkelingslanden) proberen de ‘daders’ (de geïndustrialiseerde landen) met morele druk te overtuigen, met financiële compensatie over te halen of met machtsmiddelen te dwingen om emissies te reduceren.

Maar deze kwetsbare landen hebben niet de middelen om te compenseren en niet de macht om te dwingen. De enige overgebleven optie is de morele druk – en dat was te merken als je de onderhandelingen volgde. Het morele gelijk van de ontwikkelingslanden, gesteund door de vele demonstranten in Kopenhagen, wordt zelfs zo ver doorgevoerd dat ze om miljardenhulp van industrielanden vragen bovenop de kosten die industrielanden al moeten maken voor emissiereducties. Ook al hebben ze gelijk, helaas is die morele druk niet voldoende om de Amerikaanse Senaat te overtuigen van het accorderen van internationale klimaatafspraken.

Als gevolg van het Kyotoprotocol en jarenlang, redelijk succesvol klimaatbeleid via emissiehandel in met name de Europese Unie, beschouwen de meeste landen, bedrijven en milieuorganisaties emissiereductie voor industrielanden als de enige acceptabele uitkomst van een internationaal klimaatverdrag. De ontwikkelingslanden gingen daarin uiteraard mee.

Toen in Kopenhagen duidelijk werd dat harde afspraken over emissiereducties niet in het akkoord beland waren, accepteerden veel ontwikkelingslanden het derhalve niet als een besluit van de vergadering. Het stuk, samengesteld door de 25 van de machtigste mensen van de wereld, werd als een bijlage bij een kennisnamebesluit gevoegd.

Na Kyoto toont ook Kopenhagen dus aan dat landen die grote concessies moeten doen, zoals de Verenigde Staten, daarvoor iets willen terugzien. Obama krijgt een internationaal verdrag nooit door zijn Senaat als niet duidelijk wordt dat Amerika er ook aan verdient, het liefst in combinatie met zicht op werkgelegenheid. Afspraken over emissiereducties leveren die wederkerigheid niet of nauwelijks.

Wat we nodig hebben is een internationaal verdrag waar de grootste vervuilers belang bij hebben. Aangezien de internationale klimaatdiscussies, mede op aandringen van de ontwikkelingslanden, nu zijn gestoeld op wie het morele gelijk heeft, is een heroriëntatie dringend nodig.

Waarop moeten we ons dan oriënteren? Als het niet over emissiereducties kan, waarover moeten we dan internationale afspraken maken? Het antwoord zou kunnen liggen in afspraken over technologische ontwikkeling, implementatie en de financiering daarvan. Alle landen hebben belang bij technologie. Sterke afspraken over ontwikkeling en uitrol van technologie zijn in het belang van de Verenigde Staten en China. Ze produceren beide klimaattechnologie en exporteren kennis en installaties. Bij verregaande technologieafspraken zouden ze de wederkerigheid kunnen vinden die afspraken over emissiereducties ontberen, terwijl de uitrol van die schone technologie ook tot emissiereducties leidt.

De uitkomst van Kopenhagen biedt op zichzelf weinig hoop op het voorkomen van klimaatverandering. Geen bedrijf zal na lezing van het akkoord denken dat het binnenkort te maken krijgt met stringente wetgeving. Al is Kopenhagen een gemiste kans, toch bieden de uitkomsten wel enkele openingen voor heroriëntatie van de internationale onderhandelingen die past bij de complexe belangenstructuur. Het voorziet in een verdere discussie over technologie en financiering op volgende klimaatconferenties. Het voorziet in een startkapitaal van 30 miljard over drie jaar, dat ervaring kan opleveren voor technologie-instrumenten en een basis kan zijn voor verdere afspraken.

Kopenhagen is mislukt, en dat zal eerst moeten worden erkend door de opstellers en ondertekenaars van het Akkoord van Kopenhagen. Het conventionele denken over wat internationaal kan worden afgesproken moet worden losgelaten, want het levert te weinig op voor het klimaat. Als dat eenmaal is erkend, kunnen we werken aan een gezonde combinatie van nationaal beleid en internationale financierings- en technologieafspraken die recht doet aan die razend complexe belangenstructuur rondom klimaatverandering.

Heleen de Coninck is als onderzoeker internationaal klimaatbeleid verbonden aan het Energieonderzoek Centrum Nederland in Petten.

    • Heleen de Coninck