Lijdende mens heeft zelf de antwoorden

Irene Khan leidde tot vorige week Amnesty International, als eerste vrouw én moslim.

Ze bepleit sociale en economische grondrechten om armoede te bestrijden.

Door Elsje Jorritsma

Voor wie het gemist heeft: mensenrechtenorganisatie Amnesty International doet meer dan alleen opkomen voor gewetensgevangenen en tegen marteling en doodstraf zijn. Amnesty bestrijdt ook armoede. En dat is voor een belangrijk deel te danken aan Irene Khan, die tot vorige week aan het hoofd stond van Amnesty International – als eerste vrouw en eerste moslim. Ze schreef er een boek over, dat dit najaar uitkwam: Een ongehoorde waarheid, armoede en mensenrechten.

Het klinkt misschien niet spectaculair, maar het is ongewoon dat een mensenrechtenorganisatie zich niet alleen bezighoudt met de zogenoemde burgerlijke en politieke grondrechten (recht op leven, vrijwaring van marteling, non-discriminatie etcetera), maar ook met de sociale en economische grondrechten (recht op gezondheidszorg, onderwijs, werk, enzovoort). Beide groepen rechten staan in de – niet-bindende – Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar ze zijn gesplitst terechtgekomen in twee VN-verdragen die wel bindend zijn. Sindsdien behoren ze tot gescheiden werelden: de mensenrechtenorganisaties ‘doen’ de civiele rechten, de ontwikkelingsorganisaties ‘doen’ de andere rechten.

Maar voor Irene Khan zijn ze onlosmakelijk verbonden. „Omdat arme mensen onevenredig veel te maken krijgen met discriminatie, corruptie, onveiligheid en geweld.” In het boek staan voorbeelden van kleine boeren die zonder pardon van hun land worden gezet, bewoners van sloppenwijken die hun huizen vernietigd zien worden voor projectontwikkeling, vrouwen die niet eens land mogen bezitten, Roma-zigeuners die geen gehoor vinden bij rechters.

Je kunt armoede niet oplossen, zegt Khan, zonder de naleving van mensenrechten te garanderen. Of eigenlijk is het andersom: als de mensenrechten effectief beschermd zijn, komen mensen er zelf wel uit. Dan komt de economische groei vanzelf.

Die overtuiging is gegroeid tijdens de 21 jaar dat ze bij de vluchtelingenorganisatie van de VN werkte, voordat Khan Amnesty ging leiden. „Dat is belangrijk werk. Maar ik ging me steeds meer realiseren dat vluchtelingen een consequentie zijn van het falen van naleving van mensenrechten. Mensen ontvluchten hun land, als hun rechten daar niet meer beschermd worden.” Daarom stapte ze over naar de grootste mensenrechtenorganisatie ter wereld. „Amnesty was ooit een organisatie die gevangenen ‘adopteerde’, nu werken we om overlevers van schendingen meer macht te geven. Zodat zij zelf veranderingen teweeg kunnen brengen.”

Neem transparantie, en het recht op vrije informatie. Khan geeft een voorbeeld uit India, waar in de noordwestelijke deelstaat Rajasthan ambtenaren te weinig betaald kregen door chefs die rommelden met de overzichten van gewerkte uren, en het verschil in hun zak staken. De ambtenaren mochten de overzichten niet inzien. Een arbeidersbond begon een nationale campagne voor openbaarmaking ervan, onder de slogan ‘het recht om te weten, het recht om te leven’. De massale mobilisatie van mensen in heel India leidde uiteindelijk tot een wettelijk recht op informatie van de overheid in heel India. De corruptie nam dramatisch af.

Maar ook de allerarmsten gebruiken de wet, zei Khan. Inwoners van een dorp in Rajasthan eisten informatie op over de hoeveelheid voedselhulp die de overheid voor hun dorp beschikbaar stelde. Ze bleken maar een klein deel daarvan daadwerkelijk te krijgen; de rest ging naar corrupte ambtenaren. „Maar toen dat eenmaal duidelijk was, hield het snel op.”

Khan is niet de eerste die erop wijst dat armoede en mensenrechtenschendingen nauw verbonden zijn. „Dat hebben grotere denkers vóór mij allang beschreven.” Daarom vindt ze het des te treuriger dat er zo weinig met het besef gedaan is. „Daar is een aantal redenen voor”, zegt Khan. „Zo is er nog steeds te veel steun voor een autoritaire benadering van ontwikkeling. Overheden en donoren redeneren soms dat rechten van burgers geschonden moeten worden om ontwikkeling te kunnen stimuleren: het China-model.” Maar volgens Khan is er geen enkel bewijs dat de economische ontwikkeling in bijvoorbeeld China gebaat is bij de onderdrukking van mensenrechten.

Dan zijn er volgens Khan nog te weinig mensen die geloven in het fenomeen sociale en economische rechten. „Als je niet gelooft dat scholing, huisvesting en gezondheidszorg rechten zijn, maar je ze als behoeften beschouwt, dan kan je het inrichten zonder rekening te houden met de mensen om wie het gaat.”

Khan wijst nogmaals op de samenhang met klassieke mensenrechten. „In je recht op gezondheidszorg moet ook je recht op vrijheid zitten. Anders wordt het opgedrongen, en kan het ook weggenomen worden. Je moet overheden erop aan kunnen spreken. Bovendien is het feilbaar. Beleid tegen sterfte van moeders in het kraambed dat de behoeften van vrouwen niet onderkent, faalt.”

Ten slotte zijn er ook nog degenen die denken dat de markt alles zal oplossen, zegt Khan. „Maar het probleem met de markt is natuurlijk dat de markt geen aandacht heeft voor onderliggende problemen. Die maakt ze soms zelfs erger.” In haar boek gebruikt ze het voorbeeld van investeren in landbouw. „De opbrengst neemt toe, maar de landloze boer krijgt niet meer zekerheid.”

De belangrijkste reden dat ze in deze aanpak gelooft, zegt ze, is dat arme mensen dat zelf ook doen. „Mensen die lijden hebben zelf de antwoorden. Daarom hamer ik er zo op dat de stemmen van de mensen zelf worden gehoord. Bijvoorbeeld verkrachtingsslachtoffers in Darfur. Ze spraken over gerechtigheid, maar zeiden ook: we hebben medische zorg nodig.”

Het belangrijkste is dat ze doorgaan, zegt Khan. „Activisten in bijvoorbeeld Darfur worden geregeld opgesloten, maar ze gaan door met vechten, en dat geeft me hoop. Kijk naar Iran, de moed van die burgers. Congo, Birma: je ziet overal dat mensen hun rechten opeisen. Ik steun alleen maar hun eigen strijd.”

    • Elsje Jorritsma