Weggepest naar een rijke buurt op 4,5 uur reizen

De directie van TNT Post en de vakbonden onderhandelen over betere arbeidsvoorwaarden. In Amerika gaat dat anders: daar worden werknemers gewoon weggepest.

Foto Chantal Heijnen; 14 december 2009; 04.59 uur; Carolina Shellman; Postdame in New York; 565 W171 st #3G; New York Heijnen, Chantal

Als welvarende New Yorkers de stad willen ontvluchten trekken ze bij voorkeur de Hamptons in: een prominente vakantieregio ten oosten van de stad vol landhuizen, privéstranden en exquise restaurants in de chique dorpscentra. Grote woorden voor een simpel fenomeen: het kan er niet op.

„Echt prachtig is het hier”, zegt Virginia Morgan. „De natuur ook.”

„De post voor Steven Spielberg en Jerry Seinfeld gaat door míjn handen”, knikt Carolina Shellman instemmend. „Het is hier net een roddelblad, zoveel bekenden als ik aan het loket heb.”

Toch zouden de twee postbeambten uit een New Yorkse achterstandswijk hier liever niet zijn. Ze zijn door de Amerikaanse posterijen gedwongen overgeplaatst naar de Hamptons, en het forenzen valt ze zwaar. Van huis naar postkantoor is het 195 kilometer: in de auto de stad uit al snel 3,5 uur, met metro en trein nog een uur langer.

In de Verenigde Staten hebben de posterijen vergelijkbare problemen als in Nederland – de postmarkt verkleint, concurrentie uit de private sector neemt toe, werknemers zijn te duur – maar zijn de oplossingen ingrijpender.

De United States Postal Service mag postbeambten niet ontslaan als de reden een teruglopend postvolume is; zo is dat contractueel vastgelegd. Maar het personeel het leven moeilijk maken kan natuurlijk wel. Dus krijgen de werknemers nu andere taken toebedeeld. In plaats van werk achter het loket worden ze de kou ingestuurd, de straat op, als postbode. Of zijn ze opeens schoonmaker: de vloer van het postkantoor glimmend houden, de wc’s van collega’s spatvrij.

Het verst gaat het ingrijpen zoals de zwarte Virginia Morgan en de van oorsprong Puerto-Ricaanse Carolina Shellman dat ondervinden. Ze zijn, zoals dat heet, „excessed”, boventallig gemaakt, en werken nu onvrijwillig mijlenver buiten de stad. De posterijen verstrekken geen harde cijfers en zeggen zelf „geen idee” te hebben hoeveel werknemers zo een andere werkomgeving hebben gekregen, volgens de American Postal Workers Union, de vakbond, zijn dat er „tienduizenden”.

Begin juni hoorden de twee, die vlakbij elkaar in een achterstandswijk op Manhattan werkten, dat er geen werk meer voor ze was. Ze moesten zich melden in de zogeheten blue room in het hoofdpostkantoor. Waar die naam vandaag komt? Virginia: „ik denk dat het zo heet omdat je er zo blue van gaat voelen”: zwaarmoedig.

Van oorsprong is de blue room de ruimte waar postbodes wachtten op een nieuwe taak. Tegenwoordig is het een vagevuur-achtige kamer waar werknemers van het postbedrijf moeten wachten totdat een nieuwe functie voor ze is gevonden. Dat kan weken duren. Er heerst een lamlendige sfeer, er is niets te doen behalve „een beetje lezen, een beetje scrabble”, zegt Virginia. Naar het toilet mag alleen onder begeleiding.

Virginia: „Het is een gevangenis voor het eigen personeel.”

Carolina: „Als een koe voor de slacht. Heel surrealistisch.”

Virginia: „We hadden geen keuze. Als we onze baan wilden behouden, moesten we daar zitten.”

Na vier weken wachten werd het donderdagavond 2 juli, tien voor acht, het lange weekend van Independence Day stond op het punt te beginnen. De wachtende werknemers kregen een lijst met plaatsnamen die ze niets zeiden. Geen adres, geen postcodes, geen telefoonnummers. Ook mochten ze niemand bellen om navraag te doen. Wel kregen ze vijf minuten om hun voorkeur te bepalen.

Maar dat was vooral voor het idee, want de banen werden daarna toegewezen op basis van anciënniteit: hoe langer werkzaam bij de Postal Service, des te dichter bij de nieuwe functie was. Voor Virginia werd het extra pijnlijk: tot 2006 jaar geleden was ze chef, gaf ze leiding aan veertig collega’s in de postkamer. Maar ze besloot weer achter het loket te zitten – ze miste het contact met de klanten. Nu blijkt dat haar klok toen opnieuw is gaan tellen als ‘uitvoerend werknemer’ en ze heeft er ‘dus’ pas drie dienstjaren opzitten in plaats van 26.

Virginia: „Ik moest er een kaart bijpakken om uit te vinden waar de Hamptons liggen. Zo ver was ik nog nooit buiten de stad geweest.”

Carolina: „Mijn oom zei altijd: ‘Daar houdt Amerika op.’ Hij had gelijk.”

Virginia: „Als je een paar passen verder zet, eindig je in de Atlantische Oceaan.”

Op de maandagochtend na het vrije weekend – nauwelijks tijd om iets te regelen – werden ze in de Hamptons verwacht. Om minder tijd van huis weg te zijn gaven ze hun recht op pauzes op en ze waren dagelijks zeven uur onderweg voor een baan van zeven uur.

Dat pendelen werd al snel te zwaar en de dames begonnen op banken bij nieuwe collega’s te slapen, huurden nu en dan een motelkamer en werkten zo al acht adressen af. Nu vertrekken ze op maandagochtend uit New York, werken drie dagen en komen woensdagnacht kapot thuis. Vrijdagochtend gaan ze opnieuw naar hun werk, om zaterdagnacht thuis te komen.

Carolina laat een stilte vallen, pulkt nog eens aan het naambordje op haar lichtblauwe uniform. „Ja, hè. En dit is nu ons leven.”

Omdat Virginia geen rijbewijs heeft, rijdt ze met Carolina mee. Ook al is ze uitgeput, de 54-jarige Virginia durft niet te gaan slapen tijdens het rijden. Dat kan ze niet maken, vind ze. Op haar beurt wil Carolina (34) zich sterker voordoen dan ze is.

Carolina: „Ik wil niet dat ze me ziet grienen.”

Virginia: „Weet je nog van in dat motel, toen ik lag te slapen?”

Carolina: „Ik probeerde heel stil te huilen, maar het lukte niet. Ze werd er wakker van.”

Hun werkgever draagt niet bij aan de reis- en verblijfskosten dus de 250 dollar per week aan benzine en tol plus de 1.000 dollar per maand aan kamerhuur gaat van het middenklassesalaris af. De twee vrezen voor de lente: in het vakantieseizoen verdrievoudigen de huurprijzen. Volgens Carolina is haar inkomen eenderde teruggelopen. Virginia’s man heeft in de avonduren een tweede baan moeten nemen om de extra kosten van zijn vrouw te kunnen opvangen.

Carolina: „Het heeft ons hele leven ontwricht. Hier kost een simpel broodje 20 dollar. Thuis op Manhattan krijg ik bij de McDonald’s voor 5 dollar al twee hamburgers en een frietje.”

Virginia: „Ze proberen ons gewoon weg te pesten, en zo hun personeelsbestand te verkleinen.”

Carolina: „Ik zou zó graag willen dat ik in het postkantoor mocht slapen. Een paar kussens is genoeg hoor.”

Virginia: „Of een oude caravan op de parkeerplaats.”

Carolina: „Zo wanhopig zijn we. Ik ben steeds meer postbeambte en steeds minder dochter, vriendin, moeder.” Ze heeft een zoon van twaalf en een dochter van twee, de vader is uit zicht. Ze zorgt ook voor haar inwonende ouders. Haar moeder is het Engels niet machtig, haar vader heeft de ene hartaanval na de andere. „Elke dag die ik thuis ben, moet ik weer voor iets nieuws naar het ziekenhuis.”

Virginia „Ik was altijd heel druk met de kerk. Dat is voorbij.”

Carolina: „Net zoals ik met mijn kinderen.”

Virginia: „Gelukkig is mijn man volwassen. Maar hij is er zo beroerd onder.”

Carolina: „En waarvoor doe ik het allemaal? Voor een paar postzegels en wat enveloppen.”

Virginia: „Ik doe het voor mijn pensioen.” Als ze ontslag neemt, raakt ze al haar opgebouwde pensioen kwijt.

Carolina: „Waarom ik niet gewoon stop? In déze economie? Zonder een baan kan ik de eindjes niet meer aan elkaar knopen en eindig ik zo op straat.”

Virginia: „Ik heb werk bij de post nooit gezien als een goede baan. Wel als een stabiele werkomgeving. De post zou er altijd zijn, nietwaar? Nu ben ik daar niet meer zo zeker van.”

Carolina: „Ik ben er kapot van. Depressief. Nijdig. Ik verfoei elke minuut hier. Ik haat het. Maar soms denk ik ook: ik moet eigenlijk niet zo zeuren. Heel Amerika heeft het zwaar. Overal ter wereld verliezen postbodes hun baan. En ik? Ik hoef alleen maar wat verder naar mijn werk te rijden.”

Meer Amerikaanse crisisverhalen op nrc.nl/minder

    • Freek Staps