Volleybalclubs?

De financiële problemen in het Nederlandse clubvolleybal blijven zich opstapelen. Deze week trok het failliete Longa’59 zich terug uit de vrouwencompetitie. Wat moet er precies veranderen?

Marcel Sturkenboom, algemeen directeur Nederlandse volleybalbond (Nevobo): „Het toezicht op de topsportstichtingen moet beter. De tijden van hoge budgetten zijn voorbij, clubs moeten realistischer worden. Vanwege de financiële problemen bij de verenigingen gaat de Nevobo volgend seizoen een licentiesysteem opbouwen dat vergelijkbaar is met het systeem dat in het voetbal wordt gehanteerd. Ook gaan we kijken naar de competitieopzet, hoe het aantrekkelijker en spannender te maken. Er ligt een voorstel om het aantal clubs bij de vrouwen en mannen uit te breiden van acht naar tien. Eventueel zouden er ook periodekampioenschappen kunnen komen.’’

Brend Kouwenhoven, bestuurslid van Nesselande, dat vorig seizoen failliet ging maar een doorstart maakte: „We werken nu met eenderde van de oude begroting. De salarissen van de spelers zijn veel lager dan voorheen. Vorig seizoen konden ze fulltime bezig zijn met de sport. Nu combineren de meeste spelers volleybal met werk, omdat de inkomsten uit de sport alleen niet genoeg zijn. We helpen spelers bij het zoeken naar werk. De crux is dat er nog te weinig interesse is van de media voor de sport. In oktober moest er bij de finale van het EK volleybal voor vrouwen tussen Nederland en Italië een e-mailactie aan te pas komen voordat de wedstrijd live werd uitgezonden. Schrijnend dat dat geen automatisme is bij dat soort wedstrijden.’’

Gijs Eijsink, algemeen manager van het vrouwenteam van het failliete Longa’59: „Geld is het toverwoord in topsport. Vorig jaar hadden we ook financiële problemen, doordat we de uitgaven niet in de hand hadden. Een lening van 80.000 euro van de gemeente bracht toen redding. Dit seizoen waren er problemen met de inkomsten. Door de kredietcrisis betaalden zeven sponsors niet, of nog maar een klein beetje. Volleybal op het hoogste niveau kan je alleen garanderen als je een hoofdsponsor hebt. Longa’59 zou nog vrolijk meedoen in de A-league als we een ton van een hoofdsponsor hadden gehad.’’

Ron Zwerver, coach van HvA en oud-topspeler: „De Nederlandse competitie sluit niet aan bij het internationale niveau en heeft geen aantrekkingskracht op spelers uit het nationale team. Ik weet uit mijn tijd als technisch directeur van Omniworld hoe moeilijk het is om sponsors te vinden. Het is een kleine sport en de televisie en de overige media besteden er weinig aandacht aan. Spelers zijn gewend om betaald te krijgen, daar zal je vanaf moeten stappen. Sport en onderwijs, dáár moet je in investeren. Een beroepsopleiding volleybal: ’s ochtends fysieke training, dan studeren en aan het einde van de middag volleybaltraining. Clubs zullen veel kleinschaliger te werk moeten gaan.’’

Avital Selinger, bondscoach vrouwenvolleybalteam: „Je moet niet afhankelijk zijn van investeringen op basis van liefdadigheid. Dat werkt niet in tijden van crisis. Nederlandse ploegen kunnen financieel moeilijk concurreren met het buitenland, de goede spelers vertrekken. Als je heel veel sterke spelers hebt, raakt de markt vol en hou je een deel in Nederland. Dan wordt het niveau beter. Dat kan alleen als spelers willen investeren in hun sport.’’

Joop Alberda, adviseur van de Nevobo en oud-volleybalcoach: „De sport moet beter in de markt worden gezet. Communiceer meer naar fans en bedrijven in de regio. Zorg ervoor dat je de promotie van de league met alle clubs gezamenlijk aanpakt. Misschien moet je af van het promotie-degradatiesysteem. Geef twaalf clubs, uit iedere provincie één, het vertrouwen voor vijf jaar. Dan heeft elke regio een eigen ploeg in de eredivisie.’’

Floortje Meijners, volleybalster van TVC Amstelveen: „Een groot deel van het salaris van AMVJ (waar Meijners vorig seizoen speelde, red.) heb ik niet gekregen. Dat geldt voor veel meiden van dat team. Ik reken er niet op dat ik het nog krijg, ik ben te vaak teleurgesteld.’’

    • Steven Verseput