Stofje voor status

Wetenschapsbijlage 12-12-09

In het artikel ‘Stofje voor status’ wordt verslag gedaan van onderzoek naar de werkzaamheid van testosteron en serotonine bij de totstandkoming van dominant dan wel agressief gedrag. Ik vraag aandacht voor de fundamentele conclusie aan het eind van het verslag: ‘Een ‘asociaal’ persoon reageert asociaal op testosteron, een ‘sociaal’ persoon sociaal’. Tijd voor rehabilitatie van testosteron?’ Niet een hormoon maar een denkwijze binnen de neurowetenschappen is aan rehabilitatie toe. De huidige dominante benadering wordt wel de bottom-up benadering genoemd: oorzaken voor agressief gedrag worden gezocht in biochemische processen. De conclusie ‘testosteron is geen agressiehormoon maar het hormoon maakt dominant en statusgericht’ is een experimentele variant binnen dezelfde benadering. Uit voornoemde conclusie in het slot van het artikel blijkt echter het besef dat de tijd rijp is voor een top-down benadering: gedrag binnen de leefwereld definieert de betekenis van hormoonspiegels. Binnen deze benadering zou je je ook nog bezig kunnen houden met onderzoek naar hormoonspiegels. Maar de experimenten zien er dan wel anders uit. Je zou bijvoorbeeld testosterononderzoek kunnen doen op aselecte steekproeven. Je voorspelt vervolgens of je binnen die groepen agressief gedrag zou kunnen voorspellen gerelateerd aan de hoogte van de testosteronwaarde. Mijn voorspelling: dat kun je niet. Zoals zuurstof noodzakelijk is voor het ontstaan van vuur maar niet oorzakelijk, zo is dat ook bij biochemische processen noodzakelijk voor de totstandkoming van gedrag maar niet oorzakelijk. Kortom, de problemen binnen de neurowetenschappen zijn niet van experimentele maar van conceptuele aard.

Drs. S. de Jong

Zuidlaren