Politiek is bokswedstrijd geworden

Niet de kritiek, maar de criticus wordt als hinderlijk beschouwd. Ook de gevestigde partijen vallen onderdelen van het politieke bestel aan.

Hij was natuurlijk „slechts een minister”, zei Eberhard van der Laan (PvdA). Maar mocht hij, bij het debat over ‘zijn’ begroting voor Wonen, Werken en Integratie op 25 november, de Tweede Kamer toch een vraag stellen? „Was het wel een debat waarbij wij luisteren en recht doen aan elkaars standpunt?”

Twee weken later bekritiseerde de Raad van State het kabinetsvoorstel de AOW-leeftijd te verhogen. Arie Slob, fractievoorzitter van de ChristenUnie, wilde het niet horen. De techniek van de wet, daar mocht de Raad best wat over zeggen, maar op politieke meningen zat Slob niet op te wachten. Dat moest de Raad maar aan „de politiek” overlaten.

Op 6 november wilde de Tweede Kamer met de premier en de minister van Financiën over dat AOW-voorstel debateren. Maar die kwamen niet. Ministers willen niet voor elk wissewasje naar de Kamer komen. Ze hebben wel meer te doen, zo verdedigde premier Jan Peter Balkenende zich. „Een minister moet ook contacten onderhouden in het land en deskundigen spreken.” In diezelfde week blokkeerde de premier een verzoek om informatie van de Nationale Ombudsman, omdat hij volgens Balkenende het recht niet had die vragen te stellen. Dat hij dat toch deed, wekte „misverstanden, bevreemding en vragen over de werkwijze” op.

Het zijn voorbeelden van een fenomeen dat het het afgelopen jaar vaker zichtbaar was: kritiek levert eerder een aanval op de criticus op, dan inhoudelijk debat. Niet zozeer wat de Raad, de Ombudsman, of de Kamer zeiden, was reden tot protest, maar vooral dát ze het zeiden. Opvallend, omdat juist die instituten geacht worden de regering te adviseren en controleren. Opvallend, omdat de kritiek niet van anti-establishment partijen komt, maar juist van partijen die tot dat establishment horen.

Die systeemkritiek is een symptoom van de ontdekkingsreis van gevestigde partijen. Die voelen zich opgejaagd door maatschappelijke ontevredenheid en een afnemende zekerheid over het eigen voortbestaan – zo kan worden samengevat na een rondgang.

Het vermogen van politici om hun eigen positie te relativeren lijkt af te nemen, denkt Tijn Kortmann, emeritus-hoogleraar staatsrecht. „Een beetje lachen om jezelf, de laatste jaren gebeurt dat in onze politiek verschrikkelijk weinig.” Waar het door komt? Soms is het volgens Kortmann een kwestie van persoonlijkheden: „Balkenende bijvoorbeeld, is iemand die heel normatief denkt. In termen van goed of fout. Hij is goed, wat hem hindert is fout, de eigen positie is het enige gezichtspunt. ” Een manier van denken die volgens Kortmann bij dit kabinet in ruime mate aanwezig is.

Jan Schinkelshoek, CDA-Kamerlid en initiatiefnemer van een „parlementaire zelfreflectie”, ziet ook een gebrek aan relativeringsvermogen, maar met heel andere oorzaken. „Opgejaagd door de kiezer zijn alle instituten bezig met het zoeken naar een nieuwe rol. Oude recepten blijken niet meer te werken, het systeem is in de rui. Als in een wedstrijd een van de partijen de spelregels verandert, kan je dat niet negeren, dus iedereen doet er aan mee. In die drang om te bewijzen dat je er toe doet, past geen bescheidenheid of zelfreflectie. Je maakt jezelf breed, en dat gaat soms ten koste van de ander.”

In de bokswedstrijd die de politiek is geworden, blijkt een aanval ‘op de man’ een trefzeker wapen te zijn, zegt Kees Aarts, hoogleraar politicologie in Enschede. „Politieke partijen hebben geen vaste basis meer. Ze moeten bij elke verkiezing kiezers bij elkaar schrapen om te overleven.” Een inhoudelijk debat blijkt niet het beste wapen om je partij onder de aandacht van de kiezer te brengen. Belangrijke oorzaak daarvan is de drang van veel media om alles persoonlijker te maken. Inhoud is te hoogdrempelig. Iemand aanvallen om zijn kritiek levert meer aandacht op.

Misschien zijn bestuurders minder tolerant voor tegenmacht geworden, zegt Paul Kalma, Kamerlid en voormalig directeur van het wetenschappelijk instituut van de PvdA. Mensen willen leiderschap, krachtig beleid, en vinden tegenmacht, cruciaal voor een democratie, hinderlijk. „Ik zie daarin vooral een bestuurlijke reflex. Men denkt: we hebben het toch goed geregeld, we willen efficiënt zijn, en nu zit er wat in de weg. Waar bemoeit die ander zich mee?” Een echt inhoudelijk debat blijft daardoor uit.

Waar die bestuurlijke reflex vandaan komt? Politieke visie is uit, de overheid als bedrijf is in, zegt politiek filosoof Grahame Lock: „We leven in een postdemocratische samenleving. „Balkenende is daar ook een groot voorstander van. Hij praat niet voor niets over de BV Nederland.” In de ogen van Lock is de politicus een „entrepeneur van de macht” geworden, die de kiezer als een grondstof ziet: stemmen leveren macht op. Politici worden, denkt Lock, gedreven door „winstmaximalisatie”, in plaats van een politieke visie.

Dat gebrek aan politieke idealen en de overgereguleerde samenleving die geen ruimte biedt voor grote veranderingen, degradeert de meeste politici tot de rol van „veredelde managers”, vindt Lock. „ Ze mogen opkomen voor een half procent meer of minder, en besluiten of kroegen om twee of drie uur ’s nachts sluiten”.

Voor wie de overheid als bedrijf ziet, is tegenmacht vooral hindermacht. En wie geen argumenten kan putten uit een visie, zegt Lock, kan standpunten nauwelijks anders dan door „dreigementen, manipulatie of beloning” opleggen.

Zo, zegt Lock, komt de ‘institutionele verruwing’ om de hoek kijken „De rationele argumenten verdwijnen. Voor luisteren is geen tijd. Waarheid speelt nauwelijks een rol meer.”

Is die verruwing eigenlijk erg? Harde kritiek kan soms nodig zijn, en opschonend werken, denkt Kortmann, maar wel met mate. „Ik zou adviseren niet te snel en te veel in termen van legitimiteit van instituten te praten. Als dat structureel wordt, gaan de instituten eraan.” Ook Schinkelshoek en Kalma zien geen grote bezwaren. Schinkelshoek: „Dat dingen veranderen is goed. Maar het moet wel ergens toe leiden, anders lijden we allemaal gezichtsverlies.” Kalma: „Ik zou er geen verval van instituties in zien. Het daagt partijen uit elkaar meer weerwerk te geven, en dat is goed.”

Lock is wat pessimistischer. „Degenen die idealen hebben, en op een niet-vulgaire, beschaafde manier met mensen willen omgaan, komen steeds minder door het filter van politieke partijen heen. Die krijgen te horen: u bent een fantastisch mens, maar helaas werkt het zo niet.”