Piano is al heel lang slagwerkinstrument

De Vlaamse pianist Luk Vaes wordt de eerste ‘doctor in de kunsten’ van de Universiteit Leiden. “Kunstenaars stellen andere vragen.”

Luk Vaes, pianist, doet een onderzoek naar 'extended piano techniques'. Vooren, Wouter van

Het werd iets dikker dan hij had gedacht: ruim duizend pagina’s schreef pianist Luk Vaes (Gent, 1965) over het gebruik van ‘extended techniques’ op de piano. Frutselen aan de snaren, massieve clusters met de onderarm, glissando’s, flageoletten en het gebruik van de piano als slagwerkinstrument: toen hij aan zijn onderzoek begon, dacht Vaes nog dat het typisch twintigste-eeuws verschijnselen waren, verbonden met het experimentalisme dat vooral in de jaren vijftig en zestig hoogtij vierde. Maar hij vond steeds meer historische voorbeelden, tot in de achttiende eeuw. Die moesten ook allemaal maar in zijn proefschrift. De twintigste eeuw komt uiteindelijk pas vanaf pagina 444 aan bod.

Aan de Universiteit Leiden bestaat sinds enige tijd de ‘Academie der Kunsten’. Daar kunnen kunstenaars zich wijden aan theoretische reflectie die enerzijds hun artistieke prestaties stimuleert, en anderzijds kennis oplevert die aan de wetenschappelijke standaarden voldoet (zie kader). Vaes is de eerste die zijn doctorstitel behaalt. Mits hij slaagt, natuurlijk. Dinsdag verdedigt hij zijn proefschrift.

Waarom moeten uitvoerend kunstenaars wetenschappelijk onderzoek doen?

„Wij stellen een ander soort vragen. Ik wil onderzoek doen naar speelwijzen. Een musicoloog zal zich over de muziek die hij bestudeert niet meteen afvragen hoe die precies gespeeld wordt. Moet je een bepaalde toonladder spelen als glissando, met één vinger die over de toetsen glijdt, of met individueel aangeslagen tonen? Wat te doen als Scarlatti in een sonate één keer bij een loopje schrijft: ‘met één vinger’, maar bij andere, vergelijkbare loopjes niet? En eindig je zo’n glissando met een extra aanslag, of laat je de laatste toon gewoon los, net als de andere? Dat zijn vragen die een musicoloog zich niet snel zal stellen, maar die voor een pianist van levensbelang zijn.”

Maar zulke kennis wordt toch wel overgedragen in de uitvoeringspraktijk?

„Vaak gaat het om keuzes met betrekking tot interpretatie. Daar ben je als uitvoerder vrij in, maar ik vind het belangrijk dat mensen hun keuzes kunnen onderbouwen. Dat hoeft van mij niet eens op historische gronden te zijn. Als je mening maar gefundeerd is. Dat is het grootste gewin dat wij kunnen hebben aan een infuus van wetenschappelijkheid in onze sector. Musici zeggen vaak gewoon ‘ik doe dat zó’, zonder te kunnen zeggen waarom. Dat is ontluisterend hoor. Als je aan topinstrumentalisten vraagt waarom ze bepaalde keuzes maken, hoor je vaak van die onzin als ‘wij zeggen het met onze klanken’. Ontwikkel dan gewoon je woordenschat. Pas dan kun je het ook correct overdragen aan je leerlingen. Je kunt niet lesgeven zonder woorden.”

Musici zijn vaak nog huiverig om hun kennis te expliciteren?

„In onze sector is het persoonlijk ‘profiel’ nog heel belangrijk. In de wetenschap kun je carrière maken door gemeenschappelijk verder te bouwen op wat een ander gedaan heeft. Wij musici moeten carrière maken door op een unieke manier te spelen, en vooral maar te hopen dat een ander dat niet óók gaat doen. Want als hij het dan ook nog eens beter kan, krijgt hij alle concerten. Ik ken zelfs leraren die hun leerlingen informatie onthouden omdat ze bang zijn om concerten te verliezen. Zolang het van hen alleen is, worden zij gevraagd voor de goedbetaalde jobs. Die markteconomie werkt zeer beperkend. We zouden er volgens mij uiteindelijk juist veel baat bij hebben om die informatie uit te wisselen.”

Hoe kwam u tot het schrijven van een proefschrift?

„Ik ben als pianist gespecialiseerd in hedendaagse muziek. In 1993 kwam ik terug uit de VS waar ik drie jaar had gestudeerd omdat ik benieuwd was naar de muziek die jonge Amerikaanse componisten schreven. Ik kwam terug met een heleboel ‘insider knowledge’ over bijzondere speeltechnieken, en wilde die hier delen door er een boek over te schrijven. Juist in die tijd ontstonden er initiatieven om wetenschappelijk onderzoek in de kunsten te stimuleren, en zo heb ik het steeds verder uitgebreid.”

En aanvankelijk dacht u nog dat het over een twintigste-eeuws onderwerp zou gaan?

„Ja. Van de achttiende eeuw had ik geen idee. Ik wist wel dat er een paar stukken waren met glissando’s erin. Ook wist ik dat er zogeheten ‘battle pieces’ bestonden, waarin op de piano een veldslag wordt nagebootst. Ik vermoedde wel dat daar clusters in zouden voorkomen, om kanonslagen en wapengekletter na te bootsen. Ik dacht echter dat het zou volstaan om die even te noemen in mijn inleiding. Maar omdat het toch ‘wetenschappelijk’ moest worden, wilde ik het wel zeker weten: voor ik kon opschrijven dat het glissando in de negentiende eeuw een zeldzaamheid was, moest ik toch eerst een paar bibliotheken aflopen om ook wat minder bekend werk te bekijken. Toen begon het te stromen. In een mum van tijd vond ik tal van glissando’s in allerlei soorten, bijvoorbeeld glissando’s van akkoorden, over de zwarte toetsen, hele trage en hele melodieuze glissando’s.”

En is die muziek ook echt de moeite waard, of blijft het effectbejag?

„In die ‘battle pieces’ gaat het om effecten, die niet echt in de muziek zijn geïntegreerd. Maar er zijn uitzonderingen, zoals de klaviersonate (1792) van Friedrich Wilhelm Rust (1739-1796). Daar zit álles in: spelen op de binnenkant van de piano, glissando’s, pizzicato’s op snaren, flageoletten (kunstmatige hoge boventonen). Een soort George Crumb avant la lettre. En dat alles is op hoog niveau geïntegreerd in de tonaliteit en de sonatevorm. Het heeft de kwaliteit van een Mozart-pianosonate. Dus wilde ik alles van Rust weten: waar woonde hij, waar kwam hij vandaan? En op welk instrument heeft hij gespeeld? Want ik had wel een clavichord uit zijn omgeving gevonden, maar daar kon je dat stuk niet op spelen omdat het te klein is. Uiteindelijk heb ik een instrument gevonden dat voldeed. Ik heb ook gezocht naar connecties met de Italiaanse vioolschool uit die tijd, want hoe komt een toetsenist anders op het idee om een melodie in flageoletten voor te schrijven, een techniek die bekend is van strijkinstrumenten? Hij moet heel doelbewust geëxperimenteerd hebben.”

Maar het echte experimenteren komt toch in de twintigste eeuw?

„In de jaren vijftig en zestig is er een absoluut hoogtepunt in het gebruik van deze technieken geweest. Onder meer met de ‘geprepareerde piano’ van John Cage, met allemaal moertjes, boutjes en elastiekjes tussen de snaren. In zijn Music of Changes (1951) zijn gewone tonen en ‘extended’ geluiden volstrekt gelijkwaardig. De piano wordt in die tijd ook steeds meer als slagwerkinstrument beschouwd, onder meer in muziek van Stockhausen, Kagel en Boulez. Bij Boulez is het op zich vrij mild, maar die probeert toch duidelijk gefilterde klanken uit de piano te krijgen, onder meer door een cluster van toetsen heel stil in te drukken en daar zeer verfijnde marimbatechnieken op toe te passen. In Amerika heb je de minimalistische clusters, van onder meer de componist La Monte Young, die honderden keren dezelfde cluster speelt in Arabic Numeral (1960). Er worden ook nieuwe technieken ontwikkeld, zoals de gestreken piano, waarvoor los paardenhaar wordt gebruikt.”

Heeft uw onderzoek gevolgen voor het gebruik van ‘extended techniques’?

„Deze praktijk lijdt nogal onder een stigma: het zou om goedkope effecten gaan, die de zwakheid van de componist moeten maskeren, en bovendien schadelijk voor de piano zijn. In de Antwerpse concertzaal deSingel zit in de piano’s zelfs een bordje: ‘Gelieve uitsluitend op de toetsen te spelen’. Voor stukken met ‘extended techniques’ wordt vaak een tweederangs instrument ingezet. Ik wil de muziek van dat stigma ontdoen, door aan te tonen dat het niet om een gimmick uit de jaren zestig gaat, maar dat men het in de achttiende eeuw al deed. Er is een lange traditie van prachtige stukken, en die verdienen een goede piano.”

Bij de verdediging van Vaes’ proefschrift horen drie concerten: 18/12 Koninklijk Conservatorium, Den Haag , 20/12 Scheltema, Leiden en 21/12 Korzo, Den Haag

    • Jochem Valkenburg