Op zoek naar het Franse hart

De Franse regering organiseert deze winter een debat over ‘nationale identiteit’. Het krijgt steeds fellere trekken.

In zijn oudstenen huis in het Bretonse Saint Malo zet Marc Le Blevec (48) elke avond met afgrijzen de tv aan. Alwéér de nationale identiteit.

„Bedreigend”, vindt hij. „Sinds president Sarkozy erover begon, is de mediamachine op gang. Mensen worden er agressief van.”

Zijn eigen identiteit? Geen eenvoudige kwestie. De geblokte ex-militair somt op: vader Bretons, moeder Antilliaans. Katholiek opgevoed, sinds een jaar moslim. Volgend jaar huwt hij een Marokkaanse. „Ik vrees dat dit debat bedoeld is om te bepalen wie goede Fransen zijn.”

Het debat over de nationale identiteit dat de regering deze winter organiseert, is onmiskenbaar een succes. Sinds Sarkozy eind oktober beval dat alle maatschappelijke geledingen moeten vergaderen over wat het betekent Frans te zijn, stromen kranten en weekbladen, praatprogramma’s en avondjournaals over van beschouwingen en protesten, van definities en boze weigeringen om definities te geven.

Prefecten organiseren in opdracht van de president honderden debatten. Vaak met tegenzin: zo’n politiek debat, en dat vlak voor de regionale verkiezingen in maart. Op debatidentitenationale.fr staan tienduizenden reacties, gefilterd door het ministerie van Nationale Identiteit.

Heel Frankrijk zit opeens met de nationale identiteit in de maag. Le Blevec merkt het tijdens maaltijden met familie. Dan zegt iemand ineens dat moslims nóóit echt Frans zullen zijn. Of dat Bretagne gelukkig een rustige regio is, waar het katholicisme nog sterk is, en immigratie betrekkelijk onzichtbaar. „Ze zeggen erbij: maar jij bent anders hoor.”

Wat Marc Le Blevec overkomt, is precies wat commentator Alain-Gérard Slama van de regeringsgezinde krant Le Figaro niet bevalt aan Sarkozy’s nieuwste vondst. Identiteit zegt hij, is een woord voor strikt persoonlijk gebruik. „Zodra de staat gaat uitmaken wat onze collectieve identiteit is, wordt het gevaarlijk. Dan is identiteit een instrument om mensen tegen elkaar op te zetten.”

Mona Ozouf, Bretonse en vooraanstaand historica, vindt het debat „haast karikaturaal Frans”. „De staat legt het op aan de mensen, het centrum aan de periferie. En dan ook nog op een autoritaire manier.”

Ze citeert Sarkozy, die vorige maand bij een kerkje in de Vercors zei: „We zullen hen leren wat dat is, de nationale identiteit”. Ze, dat waren de immigranten, de moslims. De laatste weken spreekt Sarkozy, „gelukkig”, vindt Ozouf, gematigder over nationale identiteit en respect. „Hij krijgt door dat er iets grondig verkeerd gaat, doordat de positie van moslims steeds feller betwist wordt.”

Het debat over de identiteit is de kroniek van een aangekondigde zelfkwelling. In 2002 haalde de nationalist Jean-Marie Le Pen, veroordeeld wegens racisme en antisemitisme, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen.

Nicolas Sarkozy won de verkiezingen vijf jaar later met de belofte de nationale identiteit te versterken. Hij trok lering uit 2002: „Ik wil het monopolie op de natie niet aan extreem-rechts laten”.

Er kwam een speciaal ministerie voor Nationale Identiteit, Integratie en Immigratie. De oppositie ziet in elke discussie over nationale identiteit nu een dubieuze poging kiezers van Le Pen te winnen.

Maar volgens de gematigd-rechtse liberaal Slama is er meer aan de hand. Hij mag graag zeggen dat andere Europese landen met belangstelling kijken naar het Franse model, dat sociale politieke en religieuze vrede waarborgt door identiteiten naar de privésfeer te verwijzen. Maar onder Sarkozy neemt Frankrijk in zijn ogen juist afscheid van dit Frans-republikeinse denken.

Het debat over de nationale identiteit is een nieuwe stap. „Bij identiteit hoort passie. Politici zijn er om passies te bezweren. Sarkozy en de zijnen stoken het vuur juist op. Verdelen om daarna als brenger van eenheid te poseren.”

Betekent het nationale-identiteitsdebat dat Jean-Marie Le Pen alsnog gewonnen heeft? Ja, vindt Slama, „dat kun je zo zeggen. De ideeën van Le Pen zijn in de geesten doorgedrongen.”

Een hoofdrol in het debat wordt vervuld door Eric Besson, sinds de zomer minister van Nationale Identiteit. Sinds hij de Parti Socialiste tijdens de verkiezingsampagne van 2007 met slaande deuren verliet, geldt hij bij de oppositie als een „verrader”, zo’n beetje het ergste verwijt in Frankrijk.

Besson begon het debat over de nationale identiteit door de burqa, in navolging van Sarkozy ‘niet-Frans’ te noemen. Het Zwitserse referendum over de minaretten bracht de islam verder in het brandpunt. Ook partijgenoten van Sarkozy zijn nu bezorgd dat het debat uit de hand loopt. (Zie inzet).

Loïc Josse (58) leunt over de toonbank van zijn drogisterij annex boekhandel in Saint Servan, het volkse deel van Saint Malo. Zijn vereniging Identités Plurielles organiseert lezingen over identiteit. Maar dat regeringsdebat? Nee, bedankt. „Vlag, volkslied, grote woorden. Niets voor mij.”

Aan het plafond in zijn Droguerie de la Marine hangen rieten manden, overal slingeren scheepsspullen. Beneden zijn Bretonse zeep en Bretonse misdaadthrillers te koop, boven allerlei literatuur. Veel reisboeken, veel migrantenschrijvers. Die helpen Josse, ex-etnoloog, ex-student van eliteschool Sciences Po, ex-marketingdirecteur van een multinational, na te denken over identiteiten. „Op de kruispunten tussen culturen gebeuren de interessantste dingen.”

En uw eigen identiteit, meneer? Josse grijnst. Meervoud graag. Eindeloos meervoud. Familieman, boekhandelaar, drogist. Breton? „Ik ben trots dat ik in de regio woon waar Le Pen vandaan komt en de minste stemmen trekt”. Frans? „Dat is zo vanzelfsprekend, daar praten we niet over.”

Zijn vader bewaarde een pistool, voor de volgende oorlog. De Bretonse identiteit was thuis taboe. De regionalisten hadden in de Tweede Wereldoorlog gecollaboreerd. Pas toen hij als student in Parijs steeds op zijn provinciale afkomst werd gewezen, begon hij zich Breton te voelen. Nu zegt hij: „Wie zijn wortels kent, is niet bang voor de vreemdeling. Een identiteit willen afgrenzen is een teken van onzekerheid.”

Deze maand had Identités Plurielles Mona Ozouf te gast. Zij is de dochter van de overal in de regio geëerde Bretonse militant Yann Sohier. Zij publiceerde dit voorjaar ‘Composition Française’, herinneringen aan haar jeugd in de jaren dertig en veertig, tussen Bretonse bijzonderheid en de Franse aanspraak op universele waarden: gelijkheid, mensenrechten.

Tegenwoordig zijn mensen gemakkelijker trots op verschillende identiteiten, van lokaal tot Europees, merkt Ozouf. De oplevende aandacht voor nationale identiteiten vindt zij naar binnen gericht en bedreigend. „Zodra je nationale identiteit gaat zien als iets vaststaands dat je kunt opleggen, wordt het een instrument om uit te sluiten.”

In de Kamer van Koophandel van Saint Malo staat een vrouw te schreeuwen. De imam op het toneel moet zijn mond houden! We zijn hier voor de Franse identiteit, weg met dat gedoe over vrijheid van godsdienst, roept ze.

Na afloop van de zoveelste sessie in het staatsdebat drinkt Abdelattif Ouali (38) een glaasje sap. Uw identiteit, meneer? „Frans, hier moet je allereerst Frans zijn”, zegt Ouali meteen. Hij heeft een Frans paspoort, een universitair diploma en een baan als stukadoor. Ander werk was er niet. Boze mensen zoals net komt hij vaak genoeg tegen. Hij blijft er rustig onder. In de moskee leert hij: „Hoe je eruit ziet, is vergeten zodra je uit het zicht bent. Maar wat je zegt, klinkt na”.

Ouali gaat voorbij aan scherpe debatten over nationale identiteit. Let liever op de mensen over wie je nooit hoort, zegt hij. De Yasmina’s en Yamira’s die in het ziekenhuis met andere Fransen werken, op scholen en in de bibliotheek. Daar wordt Frankrijk gemaakt.

    • René Moerland