Maximale lengte van vinvis wordt begrensd door zijn duikvermogen

Een groter organisme dan de blauwe vinvis heeft op aarde niet geleefd. Maar langer dan de 28 meter die hij nu gemiddeld is, kan hij ook niet worden, omdat hij dan niet meer genoeg voedsel uit het water kan filteren (Proceedings of the Royal Society B online, 25 november).

Baleinwalvissen ‘jagen’ op kleine schaaldieren en plankton door een enorme hoeveelheid water via hun mond binnen te laten lopen en er via fijne spleten in hun wangen (baleinen) uit te persen. Dat waterhappen doet een baleinwalvis niet constant. Een aantal keren per dag duikt hij naar een paar honderd meter diepte, maakt daar grote snelheid, en opent zijn mond. Om weerstand te bieden aan het water spant de walvis spieren in de onderkaak aan. Terwijl de staartvin van het dier heftig blijft bewegen, stroomt de mondholte vol en vormt zo een soort parachute die de vinvis afremt. Vervolgens begint het filteren.

De Amerikanen stelden een model op om te zien of er een optimale walvisgrootte is. Dat model baseerden ze op metingen aan verschillende baleinwalvissen. Zo berekenden ze de slokgrootte van iedere soort. Hierbij ontdekten ze dat een grote walvis geen schaalvergroting is van een kleinere: hun mond groeit harder dan hun lijf. Een kleine vinvis kan 90 procent van zijn eigen gewicht aan water opslokken, een grote tot 160 procent. Een groter lichaam verbruikt relatief minder energie omdat het relatieve oppervlak kleiner wordt, maar vraagt wel om een grotere mond. En die maakt slikken energieverslindender, omdat de parachutewerking groter wordt. De onderzoekers denken dat boven de 28 meter lengte het voordeel van de grootte niet meer opweegt tegen het nadeel van de parachutewerking. De blauwe vinvis duikt namelijk minder en niet langer dan de veel kleinere bultrug, terwijl hij veel grotere longen heeft. Zijn slokken kosten blijkbaar zoveel energie en zuurstof, dat hij op tijd weer boven moet komen.

Jop de Vrieze

    • Jop de Vrieze