Ik was, dus ik ben

Wij zijn allemaal afhankelijk van het verleden om te overleven, en we varen op ons verleden om voort te kunnen. Het is onze enige overlevingskans als we er zelf niet meer zijn.

Emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde (specialisatie 19de-eeuwse letterkunde) en columnist van NRC Handelsblad. Auteur van onder meer ‘Het literaire leven in de negentiende eeuw’ (Martinus Nijhoff), ‘De brieven van de Schoolmeester’ (Querido), ‘De gemaskerde eeuw’ (Querido), ‘Verliefd op het verleden’ (Bert Bakker), ‘Twee vrouwen en meer. Over het werk van Harry Mulisch’ (De Bezige Bij).

Ik heb een oud hondje. Binkie. Hij is blind. Hij kan zich alleen maar redden door in twee tijden te leven. Als hij van zijn mand naar de etensbak loopt, leeft hij in het heden van zijn honger, en in het verleden van toen hij nog kon zien. Doordat hij het verleden actief maakt, vindt hij de etensbak en kan hij overleven.

Ik zou mijn hondje als beeld willen gebruiken voor wat wij eigenlijk allemaal doen. In principe zijn wij allemaal afhankelijk van het verleden om te overleven, en zijn we allemaal blind en varen we op ons verleden om voort te kunnen. Elke handeling die we uitvoeren heeft een vracht aan geschiedenis achter zich. Dat geldt voor de allerkleinste dingen als de beweging van een vork naar de mond, die ons eindeloos voorgedaan is door onze ouders tot we die zelf beheersten, maar ook voor de grotere zoals het luisteren naar een symfonie van Stravinski, die we alleen kunnen appreciëren omdat er een verleden van luisteren naar steeds moeilijker muziek aan vooraf is gegaan. Wat voor ons persoonlijk leven geldt, geldt des te sterker voor het collectieve verleden. Aan onze hap eten op een vork is een beschavingsgeschiedenis van eeuwen voorafgegaan. Niets bestaat zonder een geschiedenis. De wetenschappers hebben het absolute nulpunt van het bestaan, dat punt waar geen geschiedenis aan voorafging, nog niet ontdekt. De oerknal is er, maar wetenschappers denken er nog elke dag over na wat de leegte daarvóór inhield.

Vervolg Huizinga-lezing: pagina 2

Laten we in het hiervoormaals geloven

Dat wil niet zeggen dat iedereen zich dit ook realiseert. Het historisch besef is geen vanzelfsprekendheid. Als voetbalhooligans tribunes van het Feyenoordstadion slopen, beseffen ze niet dat ze daarmee een monument van voetbalhistorie verwoesten. Je kunt je afvragen wanneer het historisch besef eigenlijk begint. Wanneer is de oerknal van het historisch besef?

In een interessant essay in NRC Handelsblad van 29 augustus jl. schrijft Hans Goedkoop dat het goed gaat met het historisch besef in Nederland. Geschiedenis is een overlevingstactiek van de mensheid. Er waren de afgelopen jaren veel jammerklachten over het gebrek aan historische aandacht. Goedkoop meent dat het historisch besef nooit kwijt geweest is, want het is deel van de mens. De klachten over de teloorgang ervan berusten dus nergens op. „Wij zoeken naar de bril die al een hele tijd op onze neus staat”, zegt hij.

Kun je met een bril op blind zijn? Ik ben bang van wel. Natuurlijk gaat het goed met de verkoop- en kijkcijfers voor historie. Daar ben ik ook echt blij mee. Het is grandioos dat een programma als Andere tijden zo goed bekeken wordt en bekroond is. Ik ben er blij om dat Geert Mak in de top-10 van bestverkopende schrijvers staat. Hij is op geen enkele manier de Kluun van de geschiedenis, ook al lijkt het soms wel of jaloerse academische historici hem in die hoek willen drukken. Ik heb bewondering voor de sereniteit van de serie De oorlog. Het stemt tevreden dat vanuit de regering een opdracht is gekomen de geschiedeniscanon voor de basisscholen samen te stellen. Zelfs een nationaal museum zal er eindelijk komen, na een historie van meer dan twee eeuwen mislukkingen.

Mooi, mooi, werkelijk waar. Maar wat staat daar tegenover? Sloping, desinteresse, praatjes voor de vaak, sensatiebeluste historie, kneutergeschiedenis, oplichting, verkitsching van de historie, geschiedenis als pretpark en kermisattractie. Ik kan niet meedoen met het gejuich over de opbloei van de historische belangstelling omdat ik zoveel veinzerij zie. Veel van wat historische belangstelling genoemd wordt, zie ik als historische sensatiezucht. De geschiedschrijving van de historie heeft een hoog Telegraaf-gehalte gekregen, de tocht naar het verleden staat gelijk aan ramptoerisme, de historische sensatie van Johan Huizinga is sensatiezucht geworden.

Moeten we soms blij zijn met de glossy Maarten! waarin Maarten van Rossem zijn nattevingermeningen uitvent? Moeten we blij zijn om de ‘Nacht van de Geschiedenis’ met een War Room, historische games, ouderwets bingo en forensisch onderzoek naar de very cold case Willem van Oranje – ik citeer uit het programma? Een beetje blij moeten we er zeker mee zijn – beter suikergoed dan een lege schoen, beter fast food dan geen eten. Er moet vooral geëxperimenteerd worden met het buiten academische kringen brengen van de geschiedenis. Dat is noodzaak, maar dat hoeft nog niet tot ranzigheid te leiden.

Ik geef u nog wat voorbeelden van wat ik met excuus aan Huizinga de historische sensatiezucht noem. Bijvoorbeeld dat serieuze geschiedbeoefening omgevormd wordt naar de behoefte van de massa. Toen de studie van Cees Fasseur over Juliana en Bernhard verscheen, ging alle aandacht bij de besprekingen naar de sensationele elementen die tijdens het leven van het koninklijk paar niet of nauwelijks in de publiciteit zijn gekomen. Naar de vrouwenversierder Bernhard, naar de details van de Greet Hofmans-affaire. De studie van Fasseur werd getransformeerd tot een nummer van de Privé.

Ik geef u een voorbeeld van oplichting. Wie in oktober 2009 langs de Amsterdamse Schouwburg over de Marnixstraat liep, zag daar zes historische gevels rechtop staan. Let wel: alleen de gevels. Twintig centimeter dunne historie stond hier overeind. Erachter verschijnt een geheel nieuw theater. Hier ontstaat nephistorie. Het is als omgekeerde plastische chirurgie. Een plastisch chirurg bouwt een historische damesgevel om tot een pront jongemeisjesgeval, hier wordt een nog te bouwen moderniteit al meteen tot historie getransformeerd, en dan nog alleen aan de buitenkant. Waarom deze leugen? Het zou beter zijn geweest de gevels maar rechtuit en eerlijk te slopen en er een mooi geheel nieuw gebouw neer te laten zetten door een architect met respect voor de historische omgeving.

Nog een voorbeeld. Begin volgend jaar gaat het vernieuwde Letterkundig Museum in Den Haag open. In de vaste tentoonstelling ligt geen enkel echt handschrift meer. Alleen fotokopieën. Hele goede, dat wel. De bezoekers houden hun adem in als ze naar de xerox van Reve’s Avonden kijken. Ze denken een historische sensatie te beleven, maar ze worden voor de gek gehouden. Het is verstandig, daar niet van, en ik weet niet in hoeveel musea het echte handschrift in de brandkast ligt en de kunstversie in de vitrine, maar het blijft nep. Zullen we straks de Nachtwacht en de Zonnebloemen ook alleen nog maar als reproductie kunnen zien?

Ik geef nog een voorbeeld, en dat is vileiner. Dat is de treurigmakende voorgeschiedenis van het nationale museum. Met het mooie plannetje van Jan Marijnissen is inmiddels gesjord en gesjouwd alsof het een tweedehandsfiets is die steeds opnieuw gestolen en doorverkocht wordt tot er alleen nog maar een staketsel overblijft dat bij het oud ijzer kan. Wat een rots in de branding had moeten zijn, lijkt een nieuw pretpark te worden waar je met een oudhollandse wafel in je hand, met nepfriese oorijzers op je kop en gezeten op een Zeeuwse knol in een tijdmachine kunt stappen, die je met gezwinde spoed naar de wereldoorlog of de Batavieren brengt, zoals je wenst. Het ergste is nog wat Erik Schilp, een van de twee directeuren, uitkraamde: „het verleden moet zich bescheiden opstellen”. Het verleden mag geen praatjes hebben, het mag niet boven de korenmaat uitsteken, is de boodschap. Hoe kan een directeur van een nationaal museum zo denken? Nietzsche schrijft: „Het bestaat niet dat iemand een groot historicus, een kunstenaar en tegelijk een uilskuiken is.” Waarmee het oordeel over Schilp is geveld.

Nogmaals: gaat het goed met het historisch besef in Nederland? Het is maar wat je onder historisch besef verstaat. Ik had u beloofd naar het nulpunt ervan te gaan. Laten we daar nu eens beter naar kijken.

Ik denk dat we er goed aan doen een verschil te maken tussen herinnering en geschiedenis. Mijn hondje heeft herinneringen, maar hij kan er geen geschiedenis van maken. Hij kan de herinneringen wel uiten, door te gaan kwispelen als hij een oude bekende ruikt. Herinneren is voor mens én dier, geschiedenis voor de mens. Nietzsche ontkent zelfs het herinneren voor dieren. In zijn majestueuze essay Over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven benijdt hij het dier, want dat dier leeft onhistorisch, net als heel jonge kinderen.

Het historisch besef ontstaat daar waar herinnering in historie overgaat. In een cultuur met een ontwikkeld historisch besef is het geschiedenisonderwijs erop gericht de chronologie en de sequenties van de geschiedenis bij te brengen. Een kind moet door het onderwijs beseffen dat de ontdekking van de werking van de bliksem, de uitvinding van de elektrische stroom en de gloeilamp na elkaar moeten hebben plaatsgevonden. Een dergelijke cultuur is erop gericht historische monumenten te behouden, zelfs als ze hun functie verloren hebben. Er is een gezamenlijk programma voor het behoud van erfgoed. Landschappen worden in hun historische dimensie bekeken voordat er een snelweg of spoorlijn doorheen getrokken wordt. In een dergelijke cultuur is de canon vanzelfsprekend, en wordt die geregeld bijgesteld. Een historisch museum, of dat nu van de stad, het gewest of de natie is, wordt daar niet gemythologiseerd. Het is er en je gaat er heen en het moderniseert zich na verloop van tijd. In een dergelijke cultuur zijn bibliotheken bewaarders van historisch drukwerk, en zijn musea schatbewaarders van de visuele erfenis. Er worden zo af en toe standbeelden opgericht voor grote schrijvers of denkers of politici. Oma zit er bij wijze van spreken niet in het verzorgingstehuis, maar heeft een plaats bij de verwarming in de leunstoel, en er komt thuiszorg om haar steunkousen aan te trekken.

Waar het om gaat, is de erkenning en waardering van de historische dimensie die aan alles kleeft. Dat is niet iets wat een mens automatisch ziet, het moet wel degelijk aangeleerd worden. Maar het is wel iets dat makkelijk aan te leren valt, omdat het in de natuurlijke gang der dingen ligt. Zelfs een kind van tien jaar voelt dat het in zichzelf het kind van vijf jaar meesleept, en zo kan het ook begrijpen dat voorwerpen, gebouwen, straten en steden een geschiedenis in zichzelf meedragen.

Ik had u nog steeds de oerknal van het historisch besef beloofd. Johan Huizinga heeft de historische sensatie beschreven. Die wordt vaak aangehaald op een wat gemakzuchtige manier, als de ontroering die een onderzoeker kan aangrijpen als hij iets nieuws of bijzonders uit het verleden voor ogen krijgt. Maar Huizinga bedoelde meer dan dat moment van historisch besef. Voor hem gaat die ervaring verder. Huizinga bedoelde een heel specifiek moment van samensmelten van subject en object, heden en verleden, in de historische sensatie. Die sensatie was de aanleiding om te gaan schrijven en tot historische inzichten te komen. De historische sensatie gaat vooraf aan het historisch besef en is een omslagpunt. Elk individu en elke gemeenschap kunnen via die sensatie tot historisch inzicht komen. Het is de oerknal die nodig is om historie voortaan als een deel van het dagelijks leven te beschouwen. Nadien is het niet meer mogelijk onhistorisch te kijken.

Zolang er in een cultuur alleen herinneringen zijn, is er nog geen sprake van het historisch denken. Maar er kan zich een collectieve omslag voordoen. Men moet zich die omslag zo voorstellen, dat er een wending naar het verleden kan komen die niet alleen de geleerden en geletterden betreft, maar die ook doordringt in de hoofden van burgers en boeren. De mensen leefden daarvoor tussen en met de geschiedenis, maar die had nog geen naam gekregen. Die hoorde nog gewoon bij het leven van alledag. Tot er iemand kwam die wees op dat wat er kleefde aan een voorwerp of een gebouw. Het gewone ding werd een ‘ding van herinnering’. Een plat materieel aanraakbaar ding kreeg, soms van de ene dag op de andere, een symbolische lading. Een oude wandelstok werd ‘het stokske van Oldenbarneveldt’. Een beschadiging in een verweerde muur werd aangewezen als de plaats waar de kogel in de muur gegaan was nadat hij Willem van Oranje dodelijk verwond had. Aan de materie werd devotie toegekend.

Historisch besef heeft met de waarden van het leven zelf te maken. Wie geen verleden heeft, heeft ook geen toekomst. Waar niet meer aan gedacht wordt, bestaat niet meer.

Voor mij zou het leven te droevig zijn als alles wat vóór mij bestaan heeft geen deel meer had aan het heden. Het historisch besef is een ode aan het voorgeslacht, dat eerst de paden en daarna de wegen aanlegde, het alfabet uitvond, de scholen opende, de boeken schreef en drukte, het water in de huizen bracht, het kunstlicht maakte. Huizinga was een optimist: hij geloofde in de mogelijkheid om het verleden te ‘denken’ in het heden. In de historische sensatie zijn ze beide aanwezig. We geloven niet meer in een hiernamaals. Laten we dan in een hiervoormaals geloven. Dat is niet moeilijk. De tekenen van het verleden zijn overal zichtbaar. We hoeven maar om ons heen te kijken. We kunnen de onttoverde wereld hertoveren door het verleden te zien. Mijn hondje leeft in twee tijden, anders kan hij niet overleven. Hij leeft in een constante historische sensatie. Laten we een voorbeeld aan hem nemen. Wij zijn allemaal afhankelijk van het verleden om te overleven, en we varen op ons verleden om voort te kunnen. Het is onze enige overlevingskans als we er zelf niet meer zijn.

Dit is een sterk verkorte versie van de Huizingalezing die Marita Mathijsen gisteren uitsprak in de Pieterskerk in Leiden. De volledige tekst is in boekvorm uitgegeven bij Bert Bakker.

    • Marita Mathijsen