Ik (man, blank, 58, werkloos) word keihard gediscrimineerd

Je bent man, 50-plusser, hoogopgeleid en werkloos. Je solliciteert je suf (dat moet), wordt net zo behandeld als een werkloze van 25, en vrouwen en etnische minderheden gaan voor. Als het klopt dat maar 3 procent van de 60-plussers nog een baan vindt, schaf dan eindelijk de sollicitatieplicht af.

Criminoloog en antropoloog. Was universitair hoofddocent aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht. Auteur van ‘Van vriendenkring tot randgroep’ (1986), ‘Een generatie op drift’ (1990) en ‘Marokkaanse lieverdjes, crimineel en hinderlijk gedrag onder Marokkaanse jongeren (2005). (Uitgeverij Balans).

Die minister Donner. Staat in deze krant van 8 december dat hij vindt dat oudere werknemers gevangen zitten in een ‘gouden kooi’. Hij is vast van plan hen daaruit te bevrijden en daarbij gaan alle taboes van tafel. In het begeleidend redactioneel commentaar lees ik dat de vraag hoe ouderen aan het werk moeten worden gehouden op de werkvloer moet worden beantwoord.

Maar kent de huidige minister van Sociale Zaken wel de werkvloer voor oudere, werkloze werknemers? Hoe wil hij hen uit de ‘gouden kooi’ bevrijden als de overheid zélf geen werknemers die ouder zijn dan 50 jaar in dienst neemt? En weet hij iets van de gangbare praktijk van bureaucratie, leeftijdsdicriminatie en de indirecte gevolgen van positieve discriminatie?

‘De gewone ervaring leert al anders’, is een bekende uitspraak van de socioloog en Amerikanist A.N.J. den Hollander. Laat ik mijn eigen casus als uitgangspunt nemen en tegelijkertijd een aantal taboes op tafel leggen. Sinds 1 februari 2008 ben ik tegen mijn wil formeel werkloos. Ik ben een gezonde man van 58 jaar oud. Ik ben cultureel antropoloog en criminoloog, gepromoveerd en beschik over een ruime arbeidservaring. Ik heb een uitstekende staat van dienst en mijn meest recente boek is gelauwerd met een prijs. Ik heb goede vrienden, ik ben gelukkig getrouwd en onze twee uitwonende zonen studeren aan de universiteit. Het is dus niet zo dat de kosten van levensonderhoud minder zijn geworden, naarmate ik ouder word. Integendeel.

Mijn ‘gouden kooi’ bestaat uit een regeling die ik heb getroffen met mijn oude werkgever. Hierover mag ik niets aan de openbaarheid prijs geven. Verbonden aan deze regeling zit wel de verplichting per maand vier of vijf keer te solliciteren. Immers, zo had de personeelsfunctionaris van mijn werkgever aan mijn advocaat laten weten: ‘W. moet wel in beweging blijven’. Dit hield in dat ik mij diende in te schrijven op het Arbeidsbureau, het huidige CWI. De behandelend ambtenaar is een zeer beminnelijk persoon, maar zij kan helemaal niets doen. De universiteit heeft de uitvoering van mijn regeling uitbesteed aan een particulier bedrijf. Op mijn maandelijks werkbriefje moet ik per week aangeven welke handelingen ik heb verricht om aan een nieuwe werkkring te komen. Alle correspondentie verloopt schriftelijk. Als ik een fout heb gemaakt of niet heb gehandeld conform de voorschriften, krijg ik direct een persoonlijk schrijven. Ik word verzocht binnen een week schriftelijk te reageren. Als sanctie kan een korting op de uitkering volgen, mocht mijn antwoord niet naar tevredenheid zijn. Het bureaucratische systeem is ingesteld op basis van ‘georganiseerd wantrouwen’.

Ik wil niets liever dan een baan op mijn niveau. Maar dat valt niet mee. Mijn leeftijd vormt bijvoorbeeld een belangrijk bezwaar om mij in dienst te nemen. De overheid neemt geen mensen meer in dienst die 50 jaar of ouder zijn, een maatregel die zij echter nooit officieel zal bevestigen. Korte contracten worden een derde keer niet meer verlengd, want anders zou de werkgever mij in vaste dienst moeten nemen. Het heeft ook geen zin – maar ik móet wel – te solliciteren naar een universitaire baan als antropoloog, socioloog of criminoloog. Er staan genoeg jonge gepromoveerde wetenschappers te trappelen om een dergelijke baan te bemachtigen. Het argument van leeftijdsdiscriminatie zal ook nooit in een selectieprocedure worden genoemd, want hiermee zou de wet worden overtreden. Natuurlijk mag je als vrouw of als lid van een etnische of seksuele minderheid zeggen dat er discriminatie is op de arbeidsmarkt, maar er heerst een groot taboe om het geval van leeftijdsdiscriminatie van mannen te benoemen.

En laat ik ook maar meteen een ander taboe bij de horens vatten. Het effect van positieve discriminatie – of neutraler geformuleerd ‘diversiteitsbeleid’ – ten faveure van vrouwen en etnische minderheden, heeft natuurlijk indirect tot gevolg dat blanke mannen worden gediscrimineerd. Hierover heb ik nog nooit een nota gezien van het Bureau E-Quality, dat zegt betrouwbare informatie en objectieve adviezen te geven aan de overheid en maatschappelijke organisaties.

Ik zit natuurlijk niet stil en probeer gebruik te maken van mijn netwerk om een nieuwe werkkring te vinden. Zo ben ik sinds 1 februari 2008 voor 0,3 fte op basis van een tijdelijk contract werkzaam aan een universitaire instelling. Die baan is inmiddels omgezet in een vaste aanstelling. Die instelling bevindt zich niet naast de deur, zodat ik elke week een nacht in een hotel moet verblijven. De reiskosten worden slechts voor een deel vergoed, zodat ik per maand een behoorlijk bedrag uit mijn eigen inkomen moet bijpassen. Daarnaast kost deze parttime baan mij gemiddeld één, maar soms twee dagen aan voorbereiding. Tot voor kort had ik ook nog een contract van een 0,4 fte aanstelling, maar deze functie kon niet worden omgezet in een vast dienstverband. Een bekende procedure, zo meldde de contactpersoon bij mijn uitkeringsinstantie. Ondanks mijn parttime aanstelling van 0,3 fte dienstverband ben ik weer verplicht twee keer per maand te solliciteren. Dit was het achterdeurtje van mijn regeling. Immers, zo luidt het devies: ‘W. moet in beweging blijven’.

Er bestaat een grote behoefte aan mijn expertise. Zo word ik regelmatig uitgenodigd voor het geven van gastcolleges en lezingen, ik schrijf bijdragen voor wetenschappelijke publicaties, op verzoek begeleid ik enkele promovendi en ik word persoonlijk benaderd voor adviezen aan minister Van der Laan (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA). Bovendien word ik regelmatig gevraagd voor bijdragen in tijdschriften en kranten.

Mijn eigen empirische werkelijkheid beschouw ik als een casus, die ik tracht zo objectief mogelijk te beschrijven. Ik zal op deze plaats dan ook niet ingaan op de vraag hoe iemand zich voelt als hij met een arbeidsverleden van 29 jaar zomaar aan de kant wordt gezet. Ik zal op deze plaats ook niet ingaan op wat ontslag op leeftijd persoonlijk met je doet. Ik zal ook niet ingaan op de spanningen in mijn gezin. Ik zal ook niet beschrijven hoe vernederd iemand zich voelt wanneer hij zich aan een loket moet melden en zijn hand moet ophouden. De verleiding om in je eigen pap te spugen is groot, maar ik ben geen J.J. Voskuil. Ik ben gezond en zie mijn casus als één van velen. Was het niet Nietzsche die ooit schreef: ‘Je wordt sterker van alles waar je niet dood aan gaat’.

Maar mijn aanklacht blijft wel overeind. En ja, ik beken óók kleur. Ik neem het de samenleving kwalijk die het mogelijk maakt oudere, ervaren mensen met een behoorlijk potentieel zomaar aan de kant te zetten. Ik beschuldig ook het uitkeringstelsel dat, vanuit het principe van gelijke behandeling, een beginnende werknemer van 25 jaar op dezelfde wijze behandelt als een persoon van 58 jaar. Ik beschuldig de Nederlandse maatschappij die zoveel ervaring, kennis en expertise zomaar aan de kant zet, maar tegelijkertijd via zijn politieke woordvoerders laat weten dat iedereen optimaal aan het arbeidsproces moet deelnemen. Ja, ik beschuldig ook de maatschappelijke organisaties die onder de vlag van emancipatiebeleid en gendermainstreaming slechts oog hebben voor de positie van vrouwen en etnische minderheden.

Keer op keer loop ik op tegen regelzucht, leeftijd- en seksediscriminatie en vergaande bureaucratie. Misschien is dat wel de reden dat ik nog steeds verblijf in die zogenaamde ‘gouden kooi’. Ik wil echter niet, zoals Maarten Koning in de romans van J.J. Voskuil, oud worden in je eigen nest, ’s avonds bij het vuur zitten en je frustratie en gal in de vlammen spugen. Zo oud ben ik nog niet, laat mij en mijn leeftijdgenoten maar zinvol werken. Maar zorg wel voor voldoende kansen en mogelijkheden en doe iets tegen de gangbare praktijk van leeftijdsdiscriminatie.

Volgens het Centraal Planbureau is de kans dat een 60-plusser weer aan het werk komt, 3 procent. Als dat zo is, en dan laat ik de oorzaak maar even in het midden, schaf dan ook die verdomde sollicitatieplicht af. Immers, niets is frustrerender dan verplicht en in het wilde weg sollicitatiebrieven te schrijven als je van tevoren weet dat je zult worden afgewezen, alleen al op grond van je gevorderde leeftijd. Niemand wil in de maling worden genomen.

    • Hans Werdmölder