'Ik beheers mijn verdriet'

Alfons Pietersen (1924) verloor bij een auto-ongeluk zijn vrouw en drie kinderen. ‘Ik hernam me snel.’

‘Ik werd wakker in een ziekenhuisbed. Het was er mooi. Er waren Franse nonnen die voor me zorgden. Mijn kaak zat los en mijn oor was gescheurd, en ik had geen bril meer. Ik had geen idee wat er gebeurd was. Toen kwam een van mijn broers op bezoek, met onze pastoor uit Vlaardingen. Ze vertelden dat er een ongeluk was geweest en dat mijn vrouw en drie kinderen het niet hadden overleefd. Onze auto met Alpenkreuzer was om elf uur ’s avonds op een kruising in Laon geramd door een melkwagen en tegen de kerk geknald. Mijn vrouw zat achter het stuur. Ik werd als enige uit de auto geslingerd. Daarom was ik nog in leven.

„Mijn eerste reactie was: ik ga niet terug naar Nederland. Ik ga wel in Parijs onder een brug wonen. Maar ik hernam me snel. Voor mijn broer en de pastoor moest ik toch gastheer zijn. Na een week ben ik met ze mee teruggereden.

„Ik ben meteen weer aan het werk gegaan. Alleen op de dag van de begrafenis had ik vrij. Ik had met een andere broer een eigen bedrijf. Werken was een goeie afleiding, maar het was moeilijk als ik zag dat mensen me nawezen. Het was een kleine wereld, en het ongeluk had in alle kranten gestaan. Nederlanders gingen toen nog niet zo vaak naar het buitenland, dus dit viel extra op.

„In ons huis wilde ik niet meer wonen, alleen. Ik heb het verhuurd en ben zelf tijdelijk weer bij mijn ouders ingetrokken. Die waren van een andere generatie. Mijn moeder was een lieve vrouw, maar wel van: ‘Zo, één plakje, da’s genoeg hoor.’ Ik had genoeg centjes om ’s avonds ergens te gaan eten, maar dan zat je daar met al die gezinnen om je heen. In de weekends ging ik naar een van mijn broers of zussen en hun gezinnen. Ik was ontheemd, een zwerfkat.

„Ik heb gelijk gezegd: jongens, als je een geschikt meisje vindt dat niet ouder is dan 25, stel me dan aan haar voor. Ik stond open voor een nieuw huwelijk, en ik wilde ook weer kinderen. Ik werd lid van drie tennisclubs. Met Kerst ging ik naar de wintersport. Daar ontmoette ik een Franse politieagente aan wie ik mijn verhaal deed, met een glaasje op. Nou, die beet zich in me vast. Mijn haren gingen overeind staan, want een man kiest een vrouw en niet omgekeerd. In Nederland had ik nog even een vriendin met donker haar, en eentje van twintig jaar jonger. Niks serieus.

„Op een dag zat ik bij een van mijn zussen met haar kinderen te spelen, en toen kwam Carla op bezoek. Haar zus kende mijn zus een beetje. Carla woonde nog bij haar ouders in Nijmegen. Ze had in De Gelderlander over het ongeluk gelezen en was daarna zo vaak naar die man uit Vlaardingen blijven vragen dat onze zussen dachten: die twee moeten elkaar ontmoeten. Ik viel meteen op Carla. Op ons tweede afspraakje vroeg ik haar ten huwelijk. Even deinsde ze terug, maar ze draaide bij. We wilden snel trouwen, op een originele manier die geen aanstoot zou geven. Toen dachten we aan Rome, naar het voorbeeld van prinses Irene. Een bevriende pastoor heeft het mogelijk gemaakt dat een monseigneur in de Sint Pieter ons trouwde. Dat was in mei. Dertien maanden later werd ons eerste kind geboren. We kregen er vier.

„Mensen zeiden: wacht maar, de klap komt nog wel, maar die is nooit gekomen. Ik had geen vervelende herinneringen. Ik had een heerlijk gezin, en nu waren ze er niet meer. Het verdriet daarover wist ik naast me neer te leggen. Ik beheers mijn verdriet.”

De serre is opgestookt als een broeikas. Hij zit gemoedelijk te vertellen en plaagt zijn vrouw – toe, schenk nog eens wat lekkers in.

Ze doet het, vertederd.

Heeft u ook een interessante familiefoto? Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss