Het momentum van chaotisch Kopenhagen

Elke top is een tussentop – dat houdt de hoop levend dat de wereld in de toekomst tot een beter akkoord komt dan op de klimaatconferentie die afgelopen nacht in Kopenhagen werd afgesloten. Na een kleine twee weken van vergaderen, chaos, bilateraal, trilateraal en ander meerledig overleg, plenaire zittingen, gelobby, acties en doorwaakte nachten is de uitkomst van ‘COP 15’, zoals de conferentie werd genoemd, mager, en slechts aanvaardbaar onder het motto dat een resultaat beter is dan geen resultaat.

Het is natuurlijk vermeldenswaard als 193 landen zijn overeengekomen dat de temperatuur op aarde met niet meer dan met twee graden Celsius mag stijgen. Maar zonder concrete en controleerbare toezeggingen over de maatregelen die nodig zijn om deze beperking te bereiken, stelt dat weinig meer voor dan een afspraak dat het de komende week niet zal sneeuwen.

De meest cruciale periode op deze twaalfdaagse bijeenkomst waren de vijftien uur die de Amerikaanse president Obama gisteren in het Bella Center, het conferentieoord, doorbracht. Hij voerde diverse gesprekken met de Chinese premier Wen Jiabao, dialogen dus tussen de leiders van de twee landen die verantwoordelijk zijn voor de hoogste uitstoot van het broeikasgas CO2. Met de aantekening dat China per hoofd van de bevolking aanzienlijk minder vervuilt dan de Verenigde Staten. Hun optreden en het akkoord dat zij vervolgens sloten met de opkomende economieën India, Brazilië en Zuid-Afrika vormden de opmaat naar het resultaat dat uiteindelijk werd geboekt. In welke fase, zo kan worden genoteerd, er voor de Europese Unie kennelijk geen rol van betekenis was weggelegd.

De posities van Obama en Wen markeerden waartoe de top maximaal in staat was. Namelijk zover als de binnenlandse Amerikaanse politiek de president aan speelruimte bood, gecombineerd met de gebruikelijke houding van China dat het weinig te schaften heeft met wat andere landen van zijn binnenlandse beleid vinden.

Zo kwam er een akkoord zonder juridische binding en de zekerheid dat die er snel komt, bijvoorbeeld op de top over een jaar in Mexico, is er niet. Dat maakt het ‘Kopenhagen akkoord’ ondermaats en de uitvoering ervan twijfelachtig, al was de hoop op bindende afspraken vooraf al niet groot. Er staat tegenover dat er geld komt voor ontwikkelingslanden en een internationaal controlesysteem om te zien of landen serieus proberen om hun uitstoot te reduceren.

‘Kopenhagen’ is uitgelopen op de teleurstelling die er eigenlijk van werd verwacht, inclusief de impasse aan de vooravond van de finale besluiten, die er altijd goed voor is dat het resultaat dan toch nog een beetje meevalt. Waarbij mag worden aangetekend dat het chaotische Deense voorzitterschap daaraan bepaald geen bijdrage heeft geleverd. Net zo min als, vermoedelijk, de massaliteit waarmee de conferentie werd omgeven. Het is moeilijk zakendoen met honderden deelnemers – dat kan een les zijn voor een volgende top.

Tegelijkertijd is er geen reden om al te dramatisch te doen over het magere resultaat. Er is een ‘momentum’ verloren gegaan, er komt altijd een nieuw ‘momentum’. Winst is de onderkenning van de VS en China dat er wereldwijd een omvangrijk klimaatprobleem bestaat. En dan mag de leider van zo’n land, wanneer die de rest van de wereld oproept tot actie, best met ironie worden bekeken.