Expertdiscussie

Zonder democratie geen stabiliteit in Afghanistan

Met de aankondiging van president Obama om meer troepen naar Afghanistan te sturen is de aandacht in de Afghanistandiscussie bij kortetermijnveiligheid komen te liggen. Maar duurzame stabiliteit kan alleen ontstaan als een grotere militaire aanwezigheid gepaard gaat met de versterking van de Afghaanse democratie. Te vaak wordt de ondersteuning van veiligheid of democratie in het publieke debat als een keuze gepresenteerd. In werkelijkheid bestaat er geen alternatief voor democratisering in Afghanistan.

Dat geldt allereerst vanuit het oogpunt van politieke legitimiteit. Uit opinieonderzoek van de Amerikaanse Asia Foundation bleek eind oktober dat 78 procent van de Afghaanse bevolking democratie nog altijd de meest wenselijke staatsvorm vindt. Het is niet aan het Westen om de Afghanen die wens te ontzeggen. Bovendien, als wij willen dat Afghanistan ook stabiliteit kan garanderen wanneer het Westen is vertrokken, is een politiek stelsel nodig waar de meerderheid van de bevolking achter kan staan.

Sinds de gemankeerde presidentsverkiezingen van afgelopen zomer pleiten sommige commentatoren voor afschaffing van de democratie ten gunste van tribale machtsstructuren. Echter, daar is noch de Afghaanse bevolking, noch de internationale gemeenschap bij gebaat. Het alternatief voor democratisering is immers een permanent systeem van willekeur en manipulatie dat nu juist de afgelopen jaren voor frauduleuze verkiezingen, torenhoge corruptie en grootschalige opiumhandel heeft gezorgd. Dat alles wil niet zeggen dat democratie in Afghanistan opgelegd moet worden. Afghanistan moet eigen democratische regels smeden.

Bernard BotRoel von Meijenfeldt

Beiden zijn verbonden aan het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie (NIMD).

Breng Koningin onder Wob

De historicus Fasseur beticht (Opiniepagina, 17 december) Kelder en Veenendaal die een boek schreven over de rol van prins Bernard van „heilige onnozelheid”. Hij heeft als enige historicus toegang gehad tot de Koninklijk Huisarchieven om over de ‘affaire Greet Hofmans’ te schrijven. In dat boek houdt hij zich ook bezig met wat inmiddels de ‘affaire Duyff’ heet. Die affaire „ging als een nachtkaars” uit, concludeert hij. De stukken waar hij die conclusie op baseert hebben Kelder en Veenendaal niet kunnen zien. Zij moesten zich baseren op andere bronnen, buiten het archief. De historicus Giebels die in 2007 over de Hofmans affaire een boek schreef, liep tegen dezelfde muur op. Hij deed wel een poging om met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob) die toegang tot het archief af te dwingen, maar zonder succes. In een uitspraak van de Afdeling Bestuurrechtspraak van de Raad van State (waarvan de Koningin de voorzitter is), besliste de hoogste rechters dat de directeur van het Koninklijk Huisarchief geen bestuursorgaan is. Later vonden de rechters dat ook van de Koningin zelf.

De jurist Fasseur stelt zich aan het eind van zijn opiniestuk plotseling op als de advocaat van de Koningin. Hij stelt dat het archief het persoonlijk eigendom van de Koningin is en dat wetswijziging om het openbaar te maken te ingewikkeld is. Toch is dat niet zo. Een wijziging van de Wob waarbij het doen en laten van het Koninklijk Huis expliciet onder de Wob wordt gebracht is niet zo moeilijk. In wezen was dat ook de strekking van de ten onrechte niet uitgevoerde motie Kalshoven uit 2005, die door Fasseur als ‘een slag in de lucht’ van tafel wordt geveegd. Bij de toepassing van een aldus gewijzigde Wob is het heel goed mogelijk een scheiding te maken welke informatie die bij het Koninklijk Huis berust, openbaar behoort te zijn en welke privé.

Egbert Dommering

Hoogleraar informatierecht UvA.

Dit zijn delen uit langere discussies, te lezen via nrc.nl/expert.