Een zaadje dat moet ontkiemen

In ‘Het Binnenhuis’ vandaag de woning van altaarbouwer Fons van den Boogert.

NRC Handelsblad; Het Binnenhuis; Utrecht; Fons vd Boogert Baart, Theo

De geest in conditie houden. Volgens altaarbouwer Fons van den Boogert is het net zo belangrijk als voldoende lichaamsbeweging en verantwoord eten. Een puike geestelijke conditie vereist wel dagelijkse discipline, zegt de ambachtsman. „Durf elke dag even stil te staan bij de behoeften van de ziel”, is zijn advies.

Een altaar kan daarbij een hulpmiddel zijn, weet Van den Boogert uit eigen ervaring. In een tussenkamer van zijn negentiende-eeuwse herenhuis in de binnenstad van Utrecht bouwde hij zijn eigen offertafel. Op het meubel, dat omringd wordt door boekenplanken, plaatste hij een ingelijste foto van zijn overleden vader, een wierookhouder en een Chinees beeldje van een leeuwendraak, zijn sterrenbeeld. „Deze plek is een spiegel van mijn ziel, zegt Van den Boogert.

’s Ochtends, voor hij in zijn timmerwerkplaats aan de slag gaat, zit hij op zijn knieën, met een meditatiestoeltje onder de billen, een kwartier voor zijn altaar. „Je duikt zo snel weer in de dagelijkse dingen. Als je even rust neemt, blijf je alert, voel je ruimte.”

Om zich te concentreren brandt hij daarbij vaak een kaarsje. Toch wil het niet altijd lukken om aan niks te denken. „Soms begin ik in mijn hoofd lijstjes te maken van dingen die ik nog moet doen”, zegt hij met een lach.

Fons van den Boogert (57) is theoloog. Vele jaren werkte hij op het bureau van de Remonstrantse Broederschap in Utrecht. Maar op zijn 43ste vond hij het welletjes en begon hij aan een studie humanistiek. „Ik was uit de kerk gegroeid, maar wilde me wel met levensbeschouwelijke vraagstukken blijven bezighouden.”

Toen hij na zijn studie geen baan kon vinden als humanistisch raadsman, besloot hij van een hobby zijn beroep te maken: hij werd timmerman. Hij richtte het souterrain onder zijn huis in als werkplaats en ging kasten en keukens maken. „Als ik niet ook iets met mijn handen doe, word ik onrustig. Dat heb ik altijd gehad.”

Nog leuker dan uitvoeren is ontwerpen, ontdekte de timmerman. Onlangs besloot hij daarom zich te specialiseren in het maken van altaren. Zijn werkwijze is kort samen te vatten: eerst in gesprekken de spirituele behoeften van een klant verkennen en daarna proberen die vorm te geven.

De wensen kunnen sterk verschillen, zegt Van den Boogert. Voor de een is een altaar een meubel om stil te staan bij wie hij is, voor de ander een plek om overledenen te gedenken, offergaven te brengen of het mysterie van het leven te eerbiedigen. En het kan ook een meubel zijn om je te laten bezielen en inspireren, bijvoorbeeld door een bijzonder voorwerp.

Veel mensen hebben in huis al een soort altaar, zegt de timmerman. Bijvoorbeeld een deel van een schoorsteen die gereserveerd is voor een Mariabeeldje of een foto van een overleden familielid. Van den Boogert: „Kerken lopen massaal leeg, veel mensen zijn op zoek naar vormen om uitdrukking te geven aan spiritualiteit. Daar openlijk voor uitkomen, dat is een van de grootste taboes van deze tijd.”

Via mailings, advertenties en een etalage in de Haverstraat in Utrecht hoopt hij klanten te vinden. Op wie hij mikt? Op praktiserend katholieken, antroposofen, mensen die een overledene willen eren, en op abonnees van tijdschriften als Happinez. Hij is optimistisch: „Het is een zaadje dat moet ontkiemen. Privé-altaren passen in deze tijd. Ook op levensbeschouwelijk gebied is sprake van individualisering.”

Fons van den Boogert is de zoon van een koster. De traditie van de katholieke kerk die als kind in hem neerdaalde, steekt met de altaren weer de kop op, zegt hij.

„Toen ik opgroeide, vond ik de kerk en zo’n dwingende priester benauwend. Nu ik er los van ben, ervaar ik de weldadige sfeer in oude kerken, die honderden jaren devotie, juist als prettig.”

Maar op een opdracht van een katholieke kerk rekent hij niet. „Daar vinden ze het vermoedelijk een soort afgoderij waar ik mee bezig ben. En ik zou het ook niet willen. Zo’n opdracht die niks aan de verbeelding overlaat, daar zou ik van verkrampen.”

    • Arjen Ribbens