De wortels van de jodenhaat

Toen in het Romeinse Rijk christenen aan de macht kwamen, begon meteen een hetze tegen joden. Dirk Vlasblom

In het jaar 388 na Christus verwoestte een meute christenen, aangevoerd door de plaatselijke bisschop, de synagoge van Callinicum, een Grieks-Romeinse stad in het noorden van Syrië. Dit tot woede van keizer Theodosius I, dezelfde die acht jaar eerder het christendom had uitgeroepen tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Hij gaf opdracht om de synagoge te herbouwen op kosten van de bisschop, want de joodse gemeenschap viel vanouds onder de bescherming van de Romeinse wet. Dit was aanleiding voor Ambrosius, bisschop van Milaan, om Theodosius een brandbrief te schrijven. De keizer, schreef hij, ‘staat in de kerk, niet boven de kerk’ en hier was ‘Gods glorie’ in het geding. Wat stak er voor kwaads in verwoesting van ‘een huis van verraad en goddeloosheid, waar Christus dagelijks wordt beledigd’?

Christelijke kerkvaders schreven al sinds de tweede eeuw tirades tegen ‘de synagoge’, een metafoor voor alle aanhangers van het joodse geloof in het Romeinse Rijk. Amerikaanse historici doen die vertogen tegenwoordig af als ‘ideologische constructies’. Zij zien meer overeenkomsten dan verschillen in het gedachtegoed van christenen en joden en beweren dat de soep niet zo heet gegeten werd als ze door theologen werd opgediend. Leonard Rutgers, godsdiensthistoricus en archeoloog, bestrijdt deze optimistische voorstelling van zaken. Onlangs verscheen zijn boek Making Myths – Jews in early Christian identity formation. Daarin beschrijft hij hoe in de loop van de vierde eeuw het verbale geweld van de kerkvaders oversloeg naar ‘de straat’.

MENINGSVERSCHIL

Rutgers is hoogleraar geschiedenis van de Late Oudheid in Utrecht. In de Faculty Club, een chique gelegenheid met fauteuils aan het Domplein, gaat hij in op zijn meningsverschil met de Amerikanen. “Zij hebben een postmoderne interpretatie van de geschiedenis en die is louter gebaseerd op teksten. Wij werken, behalve met oude teksten, ook met archeologisch materiaal. We combineren geschreven bronnen en fysieke resten om ons een beeld te vormen van die tijd. Als ik in het veld sta in Apameia, Syrië, dan zie ik dat bovenop de resten van de synagoge een kerk is gebouwd. Daar is de soep kennelijk wél heet gegeten.”

In de Late Oudheid – de 4de tot en met de 6de eeuw – werd het christendom de overheersende religie, zowel in het oosten als in het westen van het Romeinse Rijk. Rutgers: “Monotheïstische religies die aan de macht zijn, hebben de neiging om andere godsdiensten uit te sluiten. Richtingen in het christendom, zoals arianen en nestorianen, die afweken van de orthodoxie die was vastgesteld op het Concilie van Nicaea (325) konden vrij gemakkelijk worden uitgesloten; dat waren ketters. Maar met het jodendom had men een probleem, want de wortels van het christendom zijn joods.”

In de eerste eeuwen van zijn bestaan heeft het christendom geprobeerd het joodse geloof te integreren. Dat gebeurde deels uit respect, deels uit zelfverdediging, want de Romeinse wet beschermde het jodendom als een oud geloof, maar duldde geen nieuwe religies.

Rutgers: “In 64 stak keizer Nero Rome in brand en hij gaf de schuld aan de eerste christenen. Die stonden buiten de wet, want ze werden beschouwd als nieuwlichters. De eerste generatie kerkvaders ontwikkelde toen de theorie van Verus Israel. Zij stelden het christendom voor als het ware Israël, verbeteraar en opvolger van het jodendom.”

De Bijbel biedt aanknopingspunten voor die voorstelling van zaken. Jezus zegt ergens in het Nieuwe Testament: ‘Ik ben niet gekomen om af te rekenen met het jodendom, maar om het te completeren.’ En het Oude Testament werd door kerkvaders voorgesteld als een allegorische aankondiging van het nieuwe.

Onder keizer Diocletianus (303-306) was er nog een christenvervolging, maar daarna werden de bordjes definitief verhangen. In 313 besloot keizer Constantijn I het christendom toe te staan en in 380 werd het op last van keizer Theodosius staatsgodsdienst. Rutgers: “Tegelijkertijd, zo blijkt uit het archeologische materiaal, ging het heel goed met de joodse gemeenschappen in het rijk. Op prominente plaatsen verrezen architectonisch opvallende synagogen. Toen ontstond een spanning in het zelfbeeld van de christenen. Aan de ene kant beschouwden ze zichzelf als het ware Israël, maar als ze uit het raam keken zagen ze een synagoge. Kerkvaders hebben toen geprobeerd om het jodendom ideologisch weg te schrijven. Onder verwijzing naar teksten uit het Oude en Nieuwe Testament maakten ze het uit voor alles wat lelijk is.”

In de geschriften van de kerkvaders verschuift de betekenis van het woord ‘synagoge’. Van een fysiek trefpunt van gelovigen en een concrete plaatselijke gemeenschap wordt het een abstracte metafoor voor ‘het volk van Israël’, het jodendom in het algemeen. En dat wordt mikpunt van felle scheldkanonnades. Berucht zijn de preken van Johannes Chrysostomos, aartsbisschop van Constantinopel (347-407). Zijn Griekse naam betekent ‘Gulden Mond’, maar het was niet alles goud wat over zijn lippen kwam. Zo noemde hij de synagoge ‘een theater van verwijfden’, een ‘afvalhoop van vagebonden’, een ‘woning van demonen’ en ‘een plaats van afgoderij’.

De anti-joodse retoriek van de kerkvaders varieerde in welsprekendheid, maar putte uit een vast repertoire. Zo werd gesuggereerd dat joden tijdens de eredienst de christenen vervloekten, anti-christelijke gebeden uitspraken en zelfs dat synagogen – historisch onjuist – ‘haarden van vervolging’ waren. Daarbij verwezen ze graag naar het evangelie van Matteüs, waarin Jezus zei dat hij de apostelen uitzond ‘te midden van de wolven’ en voorspelde dat zij ‘gegeseld zullen worden in de synagogen’.

De kerkvaders putten ook uit het Oude Testament. Zo vergeleken zij de twee vrouwen van Jacob, de zusters Lea en Rachel, met respectievelijk het jodendom en de zegevierende christelijke kerk. In bijbelse tijden, schreven zij, had de jongste altijd een streepje voor op de oudste. Onvermijdelijk hoogtepunt in het requisitoir tegen ‘de synagoge’ was de kruisdood van Jezus, de executie van de Verlosser waarvan zij de joden de schuld gaven.

UITHOEKEN

Op den duur mondden deze scheldpartijen uit in fysieke agressie, zegt Rutgers. “Aan het einde van de vierde en het begin van de vijfde eeuw worden er synagogen aangevallen. Dit valt in de eerste plaats op te maken uit de wetgeving: de keizer vaardigt de ene instructie na de andere uit om synagogen te beschermen en stuurt die naar alle uithoeken van het rijk. Als er niks aan de hand was, had hij dat niet hoeven doen. Je ziet het ook terug in het archeologische materiaal. De joodse gemeenschappen waren belangrijke minderheden in Romeinse steden en synagogen stonden vaak langs doorgaande wegen. Als ze eenmaal waren verwoest, bouwden christenen op de resten kerken, zoals ze ook kerken bouwden op heidense tempels. Zo bevestigden ze hun religieuze en maatschappelijke machtsovername.”

Hoeksteen van Rutgers betoog is zijn stelling dat de ideologische woordenstrijd van de kerkvaders uiteindelijk de vorm aannam van militant anti-judaïsme. Maar hoe groot was eigenlijk de invloed van deze geletterde theologen op de in meerderheid analfabete gelovigen?

Rutgers: “De kerkvaders vertrouwden hun exegese niet alleen toe aan het perkament, ze preekten ook in de kerk. En als eindeloos van de kansel wordt verkondigd dat de synagoge synoniem is met het Kwaad, dan kun je er donder op zeggen dat de luisteraars op den duur tot actie overgaan. Onderzoekers van de Vrije Universiteit hebben nagegaan welk effect verbale agressie heeft op een gehoor als er religie in het spel is. Het bleek dat wanneer verbaal geweld wordt gerechtvaardigd met een beroep op geloofsbeginselen toehoorders extra agressief worden. Wie tekeer gaat en daarbij verwijst naar religieuze waarden, kan zijn publiek in vuur en vlam zetten. De preken van de kerkvaders werkten wel degelijk opruiend.”

JUSTINIANUS

Niet alleen de gebedshuizen van de joden moesten het ontgelden, de wetgever bemoeide zich ook met de liturgie van de synagoge. In 553 vaardigde keizer Justinianus Novella 146 uit, een wet die van kracht zou blijven tot de val van Constantinopel in 1453. De wet ‘ontraadt’ bezigen van het Hebreeuws en ‘adviseert’ het gebruik van een Griekse bijbelvertaling.

Rutgers: “Het gedachtegoed van de kerkvaders drong ook door in de wetgeving. Eigenlijk ging Novella 146 niet over wat er in de synagoge moest gebeuren. In feite probeerde de wetgever – lees: de keizer – het gebruik van het Hebreeuws onder controle te krijgen. Die taal hing als een dreigende wolk boven de christenen. De meeste kerkvaders beheersten het Hebreeuws niet, terwijl in disputen altijd werd teruggegrepen op de Bijbel. En als je die in de oorspronkelijke taal kon lezen, kon je zulke debatten altijd winnen.” Het Hebreeuws was, kortom, een religieuze troefkaart van de joden en de keizer probeerde hun die afhandig te maken.

Toch zijn er aanwijzingen dat Novella 146 niet het beoogde effect had. Rutgers: “De joodse gemeenschappen in de diaspora gebruikten, afgaande op de inscripties in hun catacomben, tot ongeveer 500 vooral Grieks en Latijn, maar toen vond een omslag plaats naar het Hebreeuws. Je kunt ook zeggen dat de wet eerder averechts heeft gewerkt. De twee gemeenschappen, christenen en joden, blijven langs elkaar heen leven. Als de christenen de confrontatie zoeken, gaan de joden zich nog meer concentreren op de eigen identiteit. In de Late Oudheid komt ook het rabbijnse jodendom op, met de Talmoed, een heel eigen corpus van geschriften. Die is geschreven in het Aramees, en de oudste laag in het Hebreeuws, en in grafinscripties van de vroege Middeleeuwen valt men terug op het Hebreeuws. Intussen groeit de joodse gemeenschap in de stad Rome. Door de hele Oudheid heen kun je hen blijven traceren. Hun joodse identiteit blijft in stand, terwijl andere bevolkingsgroepen binnen twee, drie generaties opgaan in de Romeinse maatschappij.”

ANIMOSITEIT

Amerikaanse historici, zegt Rutgers, zien door hun aandacht voor en hun postmoderne relativering van oude teksten onvoldoende in dat de animositeit tussen christenen en joden al in de Late Oudheid heel scherpe vormen aanneemt. In de tweede helft van de vierde eeuw begint een lijn die zich voortzet in de Middeleeuwse jodenvervolgingen.

Rutgers: “Er wordt altijd onderscheid gemaakt tussen anti-judaïsme en antisemitisme. Anti-judaïsme wordt omschreven als anti-joodse gevoelens op religieuze grondslag, terwijl het antisemitisme, dat pas in de negentiende eeuw opkomt, een racistische tendens is. Maar ik ben er van overtuigd dat het ene voedingsbodem is voor het andere. Op het moment dat men aan het anti-judaïsme een racistische invulling geeft, kan men een beroep doen op een collectief onderbewustzijn dat allang bestaat en dat door de kerk is geïnstitutionaliseerd. Als grote groepen van de bevolking denken dat alles wat joods is per definitie slecht is, kun je daar met het quasiwetenschappelijke verhaal van het antisemitisme op terugvallen.”

POGROM

De jodenmoorden tijdens de Kruistochten, de uitzetting van de joden uit Spanje en Portugal, de Oost-Europese pogroms en, uiteindelijk, de twintigste-eeuwse Holocaust zijn, zo bezien, de escalatie van een proces dat in de vierde eeuw begint. Rutgers: “Ik moet daar ter nuancering aan toevoegen dat er binnen het christendom steeds twee tendensen zijn geweest: respect voor en ontkenning van de joodse wortels. Die ontkenning kan tot de meest vreselijke agressie leiden, maar het vasthouden eraan heeft in de loop der geschiedenis ook geleid tot respect en bescherming.

“Neem het Italië van de Renaissance. De joden werden in 1492 verdreven uit Spanje en in 1496 uit Portugal. Zuid-Italië – het Koninkrijk der beide Siciliën – viel destijds onder Spanje en ook daar moesten alle joden weg. Dat waren aanzienlijke gemeenschappen, zoals die van Palermo. Maar in de pauselijke staat, onder de autoriteit waarvan je het ergste zou verwachten, is dit niet gebeurd. Vanaf 1541, toen Zuid-Italië ze wegstuurde, mochten de joodse gemeenschappen van Rome en Ancona blijven bestaan. Ze zijn op een gegeven moment opgesloten in een getto, maar ze werden beschermd. De neiging om de joodse wortels te koesteren, hoe zwak ook, was blijven bestaan.”

    • Dirk Vlasblom