De stelling van Paul Bordewijk: Je moet met grote projecten ook durven stoppen

Over het projectbesluit van de Noord-Zuidlijn verscheen deze week een vernietigend rapport. Vrijwel gelijktijdig verscheen een casestudie van beleidsfiasco’s: ‘Rijdende treinen en gepasseerde stations’ . Een gesprek tussen een van de auteurs van de casestudie, Paul Bordewijk, en Folkert Jensma.

Leiden : 15 december 2009 Hr. Bordewijk. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

U heeft het over consensusdrang, maar je kunt het ook positief zien. Dit is het poldermodel. Dat heeft Nederland groot gemaakt. Van de Republiek der Verenigde Nederlanden tot het Akkoord van Wassenaar.

„Dat is nog maar de vraag. Die Republiek der Verenigde Nederlanden was ook een arena van voortdurende strijd tussen allerlei politieke en geloofsrichtingen. Er was juist verbazing dat zo’n republiekje waar ze steeds ruzie hadden het toch kon opnemen tegen autoritair geregeerde koninkrijken.

„Ik ben ook niet tegen consensus, maar tegen geforceerde consensus. Waar mensen niet durven zeggen dat ze het ergens niet mee eens zijn. Omdat ze niet durven, omdat ze bang zijn dat het slecht uitpakt. Dat gebeurt redelijk vaak.”

Maar wie legt dan het idee op dat die spoorlijn er moet komen, dat het studiehuis een briljant idee is, dat onbeperkte gezinshereniging onontkoombaar is?

„Dat is heel verschillend. Bij de multiculturele samenleving kan je dat niet tot één bron herleiden. Zonder de Tweede Wereldoorlog had daar eind jaren 80 veel opener over gediscussieerd kunnen worden. Alles werd onmiddellijk afgezet tegen de Jodenvervolging. Grote infrastructuurprojecten worden veel meer vanuit één punt opgezet. Bij spoorwegprojecten zijn het vaak kleine clubjes mensen die elkaar steeds tegenkomen en daarna geen tegenspraak meer dulden. Je ziet vaak dat politici verliefd worden op een project en het uitvoeren om als groot politicus de geschiedenis in te kunnen gaan.”

Dat kun je ook leiderschap noemen!

„Maar goed leiderschap is erop gericht alle voors en tegens te overwegen én alle alternatieven af te wegen. In de ontwikkelingsfase moet je alle opties openhouden: zodat het allemaal nog anders kan uitpakken. Het gros van wat een bestuurder doet is problemen voorkomen of oplossen. Reageren op wat er mis gaat. Je kunt maar af en toe eens een initiatief nemen.

„Leiderschap moet je niet verheerlijken. Het roept vaak de associatie op met iemand die door ‘roeien en ruiten’ gaat om z’n zin te krijgen. Het soort leider dat Bush junior was. Terwijl iemand als Obama geneigd is om tegenspraak binnen z’n team te stimuleren. Over de strategie in Afghanistan praat hij eerst lang met allerlei mensen en dan hakt hij een knoop door. Dat is participatief leiderschap. Dat leidt tot betere resultaten.”

Bestaan er clubs die succesvol tegenspraak organiseren?

„Het gebeurt altijd andersom. Er is meestal eerst een plan waarna iemand aankondigt: ik ben jullie tegenspreker. En dan zeggen de bestuurders: ga je ons mooie plan nou een beetje zitten tegenwerken? Zo iemand wordt gediskwalificeerd als hindermacht. Bestuurders willen daar vaak zoveel mogelijk aan voorbij gaan. Ook als het institutionele tegensprekers zijn zoals de Rekenkamer, het CPB of de Raad van State.”

Maar de bestuurder moet toch ook luisteren naar de burger?

„Precies, een heleboel mensen gaan ook de politiek in omdat ze dat willen. Ze hebben het idee dat in de politiek lui zitten die niet naar de mensen luisteren. Dus dat moet anders. Maar na een half jaar luisteren, ontdekken ze dat er alleen tegen ze geklaagd wordt: dat er een bushalte voor de deur komt en dat het vrije uitzicht wordt belemmerd. Bestuurders moeten op enig moment kiezen tussen kwaden. Maar je hebt toch huizen nodig, bedrijfsterreinen, opvangcentra voor daklozen. Op een gegeven moment slaat hun houding om. Tegenspraak gaan ze dan bij voorbaat verdacht vinden: we doen het toch nooit goed. En dan luistert men ook niet meer als de burger wel gelijk heeft.”

Geef eens een voorbeeld?

„Bij de HSL zei men mij dat het aantal mensen dat per dag de trein zou nemen in plaats van het vliegtuig, in twee bussen kon. Dat geloofde ik eerst niet! Maar het bleek inderdaad uit een bijlage bij de eerste HSL-nota. Dat is merkwaardig, maar in bijlagen zijn vaak de echte verwachtingen verstopt. In het rapport zelf staat het dan omfloerst, de samenvatting laat het helemaal weg en daar komt dan nog een persbericht bovenop. Daar maken jullie dan een bericht van in de krant. Met een kop erboven. En over die kop gaat de discussie dan! Die kan heel ver verwijderd zijn van de werkelijkheid. Als burgers echt de bijlagen in duiken en cijfervreters worden, moet je als bestuurder bereid zijn je er ook in te verdiepen. En niet alleen maar op het beeld afgaan.

„Bij de Rijn Gouwe Lijn is de verwachting dat het aantal mensen dat met het ov zal reizen nauwelijks zal stijgen. Dan moet je toch gaan nadenken of zo’n lijn wel nut heeft? Dat was ook curieus aan de HSL. Die gaat maar één keer per uur of zo naar Parijs. Maar om de tien minuten rijdt-ie tussen Amsterdam en Rotterdam op en neer. Dat ding heeft dus een veel grotere betekenis als binnenlandse dan als buitenlandse verbinding. Maar het dwingende argument om hem aan te leggen was de HSL als alternatief voor het luchtverkeer!”

Volgens jullie boek steunen die ‘rijdende treinen’ op een piramide van groepsdenkers die overal in besturen zitten.

„Er is in de politiek sprake van zelfselectie. Mensen die aan politiek willen gaan doen hebben bepaalde opvattingen gemeen. Ze willen wat doen voor de gemeenschap. Om omhoog te komen moeten ze een aantal selectiedrempels passeren. Dat leidt er uiteindelijk toe dat gekozenen anders gaan denken dan kiezers: ze zijn bijvoorbeeld voor ontwikkelingshulp en tegen de doodstraf. Op sommige terreinen zijn ze linkser, op andere rechtser dan de kiezer.

„Soms is het ook onvermijdelijk omdat er aan hun consistentie veel hogere eisen worden gesteld. In de kroeg kan een kiezer het ene moment zeggen dat er in dit land ‘niks mag’ en het andere moment ‘dat ze alles maar toelaten’. Dat kan een bestuurder niet.”

Maar als de bulldozers voorrijden of het troepenschip afvaart, is het te laat. Of zegt u: dan staat er maar een keer een viaduct te veel in het weiland of zit er een detachement blauwhelmen onbewapend klem in een oorlog. Stoppen is dan toch beter?

„Soms wel. Neem de Betuwelijn. Als je merkt dat het alleen gerealiseerd kan worden wanneer er allerlei tunnels moeten komen, dan moet je je durven afvragen: is het mij dat nog waard. En niet zo’n houding als de toenmalige burgemeester van Rotterdam die zei dat ‘we in Rotterdam anders het licht wel kunnen uitdoen’. Of dat zonder NZ-lijn Amsterdam ‘ten dode is opgeschreven’. Of dat ‘nietsdoen geen optie’ is, zoals bij Srebrenica. Je moet durven stoppen.”

Maar blikvernauwing maakt dat onmogelijk.

„Ja, daar heeft het alles mee te maken: met tunnelvisie. Mensen blijken toch veel minder zelfstandig denkende en handelende wezens te zijn.”

Het komt ook door zelfoverschatting.

„Ook.”

En kennisarrogantie.

„Ook.”

Succeshonger.

„Ook.”

IJdelheid.

„Ook. Een extreem voorbeeld zijn de grands travaux van Franse presidenten. Nou is dat land zodanig hiërarchisch dat het wordt geaccepteerd. Maar er staat voor een wethouder echt geen post op de begroting zodat die z’n eigen folly kan volgen.”

Over-optimisme.

„Zeker.”

Dubbele agenda. Eigen succes willen boeken in naam van een hoger doel.

„Ik zou eerder zeggen – het omdraaien van doel en middel. Het binnenvallen van Irak was geen middel om het terrorisme te bestrijden. Maar het terrorisme was een argument om Irak binnen te vallen.”

Projecten politiek afdwingen.

„Zeker. Door het af te regelen in coalitieakkoorden. Dat hoort daar niet in thuis. Controle door de Kamer wordt zo buitenspel gezet.”

Selectief luisteren.

„Heel sterk.”

Geen externe input toelaten.

„Ja.”

Alternatieven uitsluiten.

„Ja.”

Onvoldoende kritisch vermogen.

„Met name zelfkritisch vermogen. Je kunt niet de hele wetenschap ter discussie stellen, je moet aannemen dat sommige dingen gewoon waar zijn.”

Slecht in staat zijn tot risicotaxatie.

„Vooral daar niet toe bereid zijn.”

Onvoldoende analytisch vermogen.

„Het zit meer in het niet willen analyseren dan in het niet kunnen. Consensusdrang is ook meer dan een klein groepje beleidsadviseurs dat elkaar niet afvalt. Het kan ook betrekking hebben op een hele beleidssector. Of op een heel volk. En daartussenin op de hele politiek-bestuurlijke elite, die gevangen zit in een bepaalde gedachte.”

Is er wel eens zo’n rijdende trein gestopt of niet gestart?

„De Zuiderzeespoorlijn bijvoorbeeld. Ook dat Tulpeiland voor de kust is er niet gekomen. Dat zag ik al gebeuren – Balkenende was ervoor, dan komt Brinkman erbij en voor je het weet is de coalitie onder druk gezet om het te bouwen. En de Olympische Spelen in Nederland – dat staat nog te bezien. Is dat nou goed afgewogen? Dat is nu een project waar politici verliefd op kunnen worden: nationalisme, elite, internationale uitstraling et cetera.”

Maar of iets een fiasco wordt, blijft een definitiekwestie.

„Zeker, de stedebouwkundige die de Bijlmer ontwierp kreeg er nog een oeuvreprijs voor toen de afbraak ervan al werd voorbereid. De argumentatie was toen dat het stedebouwkundig zo prachtig was, maar dat er tegenwoordig ‘alleen maar naar de sociale kant wordt gekeken’!”

Dan zijn we dus bij de gesloten beroepsgroepen die in een eigen universum leven, met een eigen idee van de werkelijkheid.

„Bij de stedebouw is dat een gezamenlijk schoonheidsideaal dat door weinigen buiten die sector wordt gedeeld. Bij het onderwijs was het een gelijkheidsideaal, waarvan elke leraar zei dat het niet zou werken. Met als gevolg dat alle onderwijsbobo’s een afkeer kregen van leraren want die waren conservatief en daar was niks mee te beginnen.”

Bent u zelf wel eens aangelopen tegen groepsdenken?

„Ik herinner me nog een etentje waarbij ik zei dat ik van plan was tegen de Europese Grondwet te stemmen. En toen kreeg ik echt een reactie alsof ik een Frans Bauerfan was!”

Het rapport over de NZ-lijn: www.noordzuidlijn.amsterdam.nl

    • Folkert Jensma