De stad leeft op

Probleembuurten in steden zijn voortdurend in het nieuws. Maar buurtbewoners en statistiek schetsen ook een ander beeld van het dagelijks leven in de Nederlandse steden. Het stedelijk klimaat gemeten met de leefbarometer.

‘Het land staat in brand’ was nog een van de mildere kwalificaties bij de ongeregeldheden in de Goudse buurt Oosterwei, eind september 2008. De storm ging al snel weer liggen, maar het beeld van Oosterwei als onheilsplek bleef hangen. Zo zijn er meer buurten in Nederland. De Kolenkitbuurt, Slotervaart en de Bijlmer in Amsterdam bijvoorbeeld. Rotterdam heeft onder andere Spangen, Pendrecht en de Afrikaanderwijk. Veel mensen maken niet eens meer onderscheid tussen buurten: voor hen staat heel Rotterdam gelijk aan verloedering en verpaupering. Ook steden als Tilburg en Heerlen kampen met een hardnekkig slecht imago.

Oordeel of vooroordeel? Hoe liggen de Nederlandse steden erbij aan het einde van de jaren nul?

Toen NRC Handelsblad twaalf jaar geleden onderzoek deed naar welvaart en achterstand in de ruim tweeduizend Nederlandse stadsbuurten was dit nog monnikenwerk. Uit veel verschillende bronnen moest statistisch materiaal worden opgediept en verwerkt. Voor het eerst was het toen mogelijk buurten met elkaar te vergelijken. Welke deden het beter dan gemiddeld? En welke slechter?

Inmiddels zijn er veel meer statistische gegevens verzameld over het leven in de Nederlandse stadswijken en dorpen. Onderzoeksmethoden zijn verfijnd. Tot op straatniveau valt nu te zien welke buurten ‘vooruit of achteruit’ zijn gegaan. Of, anders gezegd: hoe ‘leefbaar’ zijn de Nederlandse straten, lanen, wegen en pleinen? Twee onderzoeksbureaus hebben een meetinstrument hiervoor ontwikkeld, dat via internet vrij toegankelijk is: de leefbaarometer (zie kader op deze pagina).

Voor onderzoek in dit weekblad is opnieuw gekeken naar ‘goede en slechte buurten’ in 25 Nederlandse steden. Het zijn de steden met meer dan 125.000 inwoners, plus enkele kleinere plaatsen waarin zogenoemde ‘Vogelaarbuurten’ liggen.

Onderzoeken uit het verleden toonden stadskaarten op basis van een CBS-buurtindeling, postcodegebieden, of gemeentelijke wijkindeling. Dat waren grove weergaven. Dankzij de leefbaarometer is nu te zien dat binnen ‘slechte buurten’ ook ‘goede straten’ liggen. Omgekeerd verdwijnen verloederde stukken niet in het gemiddelde van het grotere geheel waarvan ze toevallig deel uitmaken. Op de nieuwe stads- en buurtkaarten trekken de oranje en rode gebieden onmiddellijk de aandacht, onafhankelijk van de reputatie van een buurt. En dat levert verrassende inzichten en nuanceringen op.

‘De slechtste buurt van Nederland’

De Kolenkitbuurt is de slechtste buurt van het land, meldde RTL4 begin februari. Na anderhalf jaar procederen had de Raad van State besloten dat het ministerie de rangorde op de lijst van Vogelaarbuurten niet vrij hoefde te geven wegens het stigmatiserende effect, maar RTL had de eerste twintig toch weten te achterhalen.

Nog diezelfde avond hing mijn oude moeder aan de telefoon: waar of ik ook al weer een huis had gekocht? Tja, volgens de buurtindeling van het CBS woon ik in de Kolenkitbuurt. Maar dan wel in het stukje met postcode 1055 en dat is volgens de indeling van de Vogelaarbuurten net een andere buurt: Landlust/Erasmuspark. Toen het ministerie de complete lijst met 83 buurten twee weken later toch maar helemaal vrijgaf, bleek mijn buurt op de 31ste plaats te staan. Ik geloof niet dat het mijn moeder helemaal geruststelde.

Wat zegt de leefbaarometer ervan? De Kolenkitbuurt vertoont een flinke rode vlek, wat wijst op een ‘zeer negatieve leefbaarheid’, maar andere stukken zijn alleen maar ‘negatief’. Landlust heeft overwegend een ‘matige leefbaarheid’ en tegenover mijn huis ligt een stukje met de score ‘matig positief’. Het bejaardenhuis om de hoek in de buurt Erasmuspark scoort zelfs ronduit ‘positief’. „Bij ons was de Kolenkit nooit op de eerste plaats gekomen”, zegt onderzoeker Kees Leidelmeijer van RIGO Research en Advies, een van de drijvende krachten achter de leefbaarometer. Alhoewel hij vindt dat de Vogelaarlijst in grote lijnen klopt, zou hij er Deventer en Amersfoort niet op hebben gezet.

Deze zomer werden de gegevens van 2008 op de leefbaarometer gepubliceerd. In de maanden daarna verscheen op basis daarvan een drietal onafhankelijke studies: Kwaliteit van buurt en straat, Leefbaarheid door de tijd en Waterbedeffecten van het wijkenbeleid.

Een enorme sprong vooruit

Inzoomen tot op straatniveau is een belangrijk hulpmiddel om de staat van de stad op te maken, maar tenminste zo waardevol is dat ook de ontwikkeling in leefbaarheid over de afgelopen tien jaar gedetailleerd te volgen is. Dan blijkt dat Nederland als geheel tussen 1998 en 2008 een enorme sprong voorwaarts in leefbaarheid heeft gemaakt. Tot op straatniveau is bijna overal progressie te zien. Ondanks alle berichten over verloedering, gettovorming en no go areas ligt Nederland er welvarend en overwegend tevreden bij.

Het aantal mensen met een ‘negatieve’ of ‘zeer negatieve’ leefomgeving is het afgelopen decennium met bijna zestig procent afgenomen van een half miljoen tot 210.000. Dat is 1,3 procent van de bevolking. Van hen woont 90 procent in de vier grote steden, met Rotterdam als koploper. Als ook de score ‘matig’ wordt meegeteld, gaat het om 5,6 procent van de bevolking en komen ook kleinere steden in beeld.

Tussen 1998 en 2002 was de ontwikkeling bijna over de hele linie positief. De economische dip zorgde tussen 2002 en 2006 voor een verslechtering, maar Nederland bleef boven het niveau van 1998. Tussen 2006 en 2008 steeg de leefbaarheid weer. Er zijn ook uitzonderingen. Zo gingen bijvoorbeeld Tilburg, IJsselstein en Culemborg het afgelopen decennium achteruit. De huidige economische crisis bedreigt vooral de leefbaarheid in Amsterdam en de Brabantse stedenrij. Ook wat dat betreft staat Tilburg er niet goed voor.

Over het algemeen doen de stadscentra het goed en ook de negentiende-eeuwsewijken, de traditionele stadsvernieuwingsgebieden, zijn succesvol. Negatief bleek de ontwikkeling van de nieuwere, suburbane gebieden: de steden drukken hun problemen naar de randen van de stad. Rotterdam is daarvan een duidelijk voorbeeld. Steden als Almere en Zoetermeer, die geheel uit nieuwbouw bestaan, dreigen het volgende slachtoffer te worden. Minister Van der Laan stuurde deze week een plan van aanpak voor de new towns naar de Tweede Kamer.

Of mensen de kwaliteit van hun woonomgeving positief beoordelen, blijkt sterk af te hangen van wie er om hen heen wonen. De bevolkingssamenstelling is, samen met de veiligheid, verantwoordelijk voor ruim de helft van de uiteindelijke score op het gebied van leefbaarheid. Als maatstaf voor de samenstelling van de bevolking gelden onder meer de percentages werklozen, mensen met een minimuminkomen en niet-westerse allochtonen. Bij het vaststellen van de veiligheid zijn onder andere overlast, geweldsmisdrijven en diefstal maatgevend.

Deels gaan bevolkingssamenstelling en veiligheid gelijk op: hoe meer werklozen bijvoorbeeld, hoe hoger de meldingen van overlast. Maar ook van het aantal werklozen sec blijkt een negatief effect uit te gaan. Tot drie procent werklozen is er niet veel aan de hand, maar daarboven gaat het hard: elke procent extra werklozen zorgt voor een toename van 2,5 procent van het aantal mensen dat ontevreden is met de bevolkingssamenstelling. Er zijn echter uitzonderingen: in arme steden als Emmen wordt werkloosheid minder als een probleem ervaren dan in Amsterdam. De verklaring ligt volgens onderzoeker Gerard Marlet van Stichting Atlas voor gemeenten, de tweede motor achter de leefbaarometer, in de ‘kruitvatfactor’: werkloosheid in een gebied met grote economische kansen leidt tot meer frustratie en daarmee tot meer melding van overlast.

Ook allochtonen blijken, los van hogere cijfers voor criminaliteit en armoede die ze met zich meebrengen, een zelfstandige negatieve factor te zijn. Marlet: „Het heeft ons geschokt dat mensen vinden dat hun buurt onleefbaarder wordt als er meer niet-westerse allochtonen wonen. Overigens geldt dat in iets mindere mate ook voor allochtonen zelf.” Net als bij werklozen valt ook hier een drempel waar te nemen. Tot tien procent allochtonen blijven de oordelen over leefbaarheid gelijk. Daarboven zorgt elke procent extra voor 2,5 procent meer ontevredenen. Bij autochtonen die al ten minste twintig jaar in de buurt wonen, is de toename zelfs 3,5 procent.

Anders dan bij werklozen is er bij allochtonen een bovengrens: boven de vijftig procent voelen allochtonen zich niet onplezieriger in een ‘multiculturelere buurt’ maar de onvrede van autochtonen blijft wel groeien. Marlet doet nu onderzoek naar de ‘heterogeniteitsindex’: „We kijken hoe groot de kans is om op straat in aanraking te komen met iemand van een andere etnische afkomst. Het lijkt erop dat homogene wijken minder problemen opleveren, of dat nu in Bos en Lommer is of Wassenaar.”

Leidelmeijer wijst op het effect van een ontbrekende gemeenschappelijke taal: „Het effect van een praatje aanknopen blijkt zeer groot omdat het twee kanten op werkt. Mensen waarderen dagelijkse praatjes positief. En als ze ontbreken, is dat effect niet neutraal, maar voelen mensen zich daar juist onbehaaglijk bij.”

De segregatie tussen autochtonen en allochtonen is de afgelopen jaren sterker geworden, constateert het net verschenen Jaarrapport integratie 2009 van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Droogjes merken de auteurs op dat ‘de statistische ontmoetingskansen’ over de hele linie zijn afgenomen. Leefbaarheidsonderzoekers Marlet en Leidelmeijer verwachten dat deze trend van segregatie zal doorzetten. Is het mogelijk dat hun database daaraan zelf bijdraagt? Mensen die willen verhuizen, kunnen met de leefbaarometer immers precies zien hoe een straat of buurt ervoor staat, wat kan leiden tot een selffulfilling prophecy.

Toen een makelaarskantoor uit Almere begin 2007 het percentage allochtonen in de buurt van een te koop staand huis op zijn site vermeldde, was de ophef groot. De Nederlandse Vereniging van Makelaars vond het ‘op het randje’ en het kantoor haalde de gegevens er snel af. Geenstijl was er als de kippen bij om met behulp van de CBS-gegevens een ‘Allochtoon-O-Meter’ te bouwen. Het werd het populairste topic van het jaar.

Leidelmeijer denkt dat het meevalt met het gevaar dat de resultaten zichzelf versterken: „Dat alles nu op internet staat, biedt huizenkopers ook kansen: ze kunnen een slechte score op het gebied van leefbaarheid gebruiken in de onderhandelingen.” Marlet is somberder en verwijst naar de Deense onderzoeker Hans Anderson die probleembuurten niet zo zeer ziet als ‘nesten van armoede’, maar als ‘buitengesloten plekken’: buurten die niet voorkomen op de mentale kaart van potentiële woonplekken. „Je ziet dat Rotterdam in zijn geheel een buitengesloten plek dreigt te worden. Het gaat objectief bijna over de hele linie beter, maar bij mensen met geld die een huis willen kopen, blijft het imago negatief. Misschien werkt een verhaal als dit alleen maar averechts.”

Het is onvermijdelijk dat de leefbaarometer de werkelijkheid niet alleen beschrijft, maar ook beïnvloedt. Maar nog los van de principiële vraag of de overheid onderzoeksresultaten dan maar alleen ter beschikking zou mogen stellen van beleidsmakers, laten vooroordelen zich in de praktijk sowieso moeilijk bestrijden. Ook zonder leefbaarometer is op internet genoeg informatie te vinden om vooroordelen te voeden. Het volstaat om met Google Streetview virtueel door een buurt te lopen en alleen te letten op schotelantennes, hoofddoekjes en graffiti.