'De essentie is dat je altijd controle houdt'

Maurits Hendriks (48) geniet volop van zijn baan als technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF. „Ik laat ook wel een traan, maar dat moet niemand zien.”

Arnhem,Papendal 19-06-09. Maurits Hendriks, technisch directeur NOC*NSF. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Een prachtbaan, technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF, vindt Maurits Hendriks. Maar wel tijdrovend – „zeven dagen per week, 24 uur per dag, het houdt echt nooit op.”

Zijn voorgangers Joop Alberda en Charles van Commenée hadden hem gewaarschuwd, dus klaagt hij niet. Maar de prijs voor zijn privéleven is hoog, ervaart Hendriks, die wat blij is dat zijn vrouw Valerie en zoon Helio van anderhalf zich onlangs bij hem in Arnhem hebben gevoegd. Gewijzigde omstandigheden maakten Barcelona als woonplaats niet praktisch. „Ik ben er dit jaar acht dagen geweest. Zeker drie miljoen Nederlanders verbleven langer in Spanje.”

De nabijheid van zijn dierbaren doet Hendriks goed, al is zelfbeklag de oud-hockeycoach van Nederland en Spanje vreemd. Hij is een plichtsgetrouw type, dat snel en gestructureerd denkt, efficiënt handelt en de ratio probleemloos boven zijn emotie stelt. Anders was het ondenkbaar dat hij zijn aanwezigheid met het Spaanse hockeyteam bij de Olympische Spelen in Peking vorig jaar boven de geboorte van zijn zoon had gesteld. „Zoiets is moeilijk uit te leggen, maar voor mij was dat geen optie. Mijn leven voltrekt zich in olympische cycli. Daarin ben ik deels flexibel, maar eens in de vier jaar ben ik er gewoon niet. En mijn vrouw begrijpt dat. Of ik me kan voorstellen dat anderen dat een merkwaardige opvatting vinden? Dat is totaal irrelevant.”

Met die taakgerichte, zakelijke instelling heeft Hendriks al zijn persoonlijke tegenslagen overwonnen, zegt hij. Zich op iets kunnen focussen, dat beschouwt hij als een sterke eigenschap. „Ik heb geen tijd voor bullshit. Maar mijn motivatie is altijd integer. Ik weet waar ik heen wil en ben daarin tegenover iedereen eerlijk. Ik speel nooit politieke spelletjes en houd niet van slijmen of pappen en nathouden. Neem de Spelen van 2000 in Sydney, waar ik bondscoach was van de Nederlandse hockeymannen. Na het verlies tegen Pakistan werd ik door spelers neergesabeld. Buitenproportioneel, durf ik te zeggen. Ik had een goede reden om in zak en as te zitten. Mijn reactie was tegengesteld. Ik heb een nacht door het olympische dorp gelopen, ben op een bankje gaan zitten en dacht: wat ga ik potverdorie nu nog doen?”

Om zes uur wist hij het. „Ik heb de ploeg bijeengeroepen en de spelers gezegd: alles wat er gezegd is vergeten we. De problemen bespreken we terug in Nederland. Ja, dat kan ik. Jij hebt mij een klootzak genoemd? Jammer, dat doet pijn, maar ik snijd het meteen weg. Dan heb ik met jou persoonlijk niks meer, maar nu telt alleen het resultaat. En we wonnen goud. Aan het eind van de dag gaat het erom wat je achterlaat. Natuurlijk heb ik mijn sentimenten. Ik laat ook wel een traan, maar dat moet niemand zien. De essentie is dat je altijd controle houdt.”

Ambitieus als altijd is Hendriks na zijn hockeyleven bij NOC*NSF begonnen aan zijn dubbelrol als technisch directeur en chef de mission bij de Olympische Spelen in Londen. Het nieuwe werkveld wilde hij snel verkennen, maar de complexiteit van zijn taak dwong hem grenzen te stellen. Het gevolg: Hendriks heeft nog geen compleet beeld van de topsport in Nederland.

Dat overzicht komt later, zegt hij. De technisch directeur heeft besloten zich eerst te richten op de olympische sporten die ertoe doen. Om die reden hangen er op zijn werkkamer zeven panelen met foto-uitsneden van judo, zwemmen, hockey, roeien, wielrennen, paardrijden en zeilen – de sporten waarin Nederland in 2012 voornamelijk de medailles moet winnen. Elke keer als Hendriks opkijkt vanaf zijn bureau ziet hij die panelen. „Ik moet niet vergeten dat mijn focus op die sporten is gericht. Mijn verantwoordelijkheid kent een andere dynamiek dan die van mijn voorgangers. Alberda kwam binnen toen er weinig was. Met een zak geld heeft hij de sport een enorme kwaliteitsimpuls gegeven. Van Commenée bouwde verder door zich vooral op de coaches te richten. Dankzij hen ligt er een fundament. Maar ik heb te maken met het Olympisch Plan, waaraan de ambitie van een toptienpositie is gekoppeld. Nederland wil meespelen in de wereld.”

Een zware opdracht, oordeelt Hendriks, omdat de onderlinge verschillen in de diverse sporten steeds kleiner worden, de concurrerende landen zich sterker professionaliseren, maar vooral omdat zijn financiële armslag begrensd is. Hij heeft op weg naar ‘Londen’ maar een fractie meer geld te besteden dan Van Commenée in de aanloop naar ‘Peking’. Hendriks zal al zijn creativiteit moeten aanwenden om de twaalfde plaats in het laatste medailleklassement te overtreffen. In die opdracht heeft hij zich stevig vastgebeten. Hendriks is samen met Jeroen Bijl (manager Topsport, red.) begonnen met de transformatie van de afdeling Topsport van een beleidsorganisatie in een expertisecentrum. Daarvoor heeft hij een team van deskundigen om zich heen verzameld, waarmee de sportbonden ondersteuning kan worden verleend. Naast de prestatiemanagers Frans van Dijk, André Cats, Ad Roskam en Roelant Oltmans is oud-atleet Kamiel Maase er voor de wetenschappelijke begeleiding, de Australiër Scott Dickinson als kracht- en conditietrainer en Asker Jeukendrup als bewegings- en voedingsdeskundige. En binnenkort volgt de aanstelling van sportarts Tjeerd de Vries voor medische zaken.

Voor die functie zocht Hendriks een ‘verbeterarts’. Iemand die zich niet beperkt tot de blessurebehandelingen. „Een dokter met meer dan alleen sportmedische kennis”, zegt Hendriks. „Iemand die bijvoorbeeld kijkt of bij een beter slaappatroon blessures afnemen of weet hoe je spanning in de hamstring meet om kwetsuren te voorkomen. Met die manier van werken loopt Nederland achter. Voor sportarts kun je een opleiding volgen, maar voor een topsportarts moet je met je bakkes in de klei zitten, dagelijks met topsporters werken. Het verschil aan de top wordt bepaald door de details. Dus moet ook de sportarts 24 uur per dag naar dat detail op zoek gaan.”

De charme van zijn functie vindt Hendriks, dat hij tegelijkertijd de grote lijnen moet bewaken. Veel medailles bij de Spelen van Londen is mooi, maar hoe continueer je succes? En belangrijker: hoe komt hij aan het geld om ambitieuze plannen te bekostigen? De technisch directeur: „Moeten we nog meer investeren in succesvolle sporten? Of moeten we geld stoppen in boksen of eventing, waarin we het niet zo goed doen? Ik wil exact weten wat er nodig is om een toptienland te worden.”

Maar een principiëlere vraag vindt hij: waar ligt het mandaat van topsport? „De relatie tussen NOC*NSF en de sportbonden wordt complexer en staat onder steeds grotere druk als het om de topsport gaat. De kerngedachte is: meer geld naar minder sporten. Iedereen ziet dat belang, maar de consequenties zijn voor een aantal bonden moeilijk te accepteren.”

Daarom heeft Hendriks een ‘foto’ van de Nederlandse topsport laten maken. Hij heeft invloedrijke mensen hun visie op topsport gevraagd. Onder andere door EKS, een Zwitsers bureau voor sportconsultant in te schakelen, maar bijvoorbeeld ook Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en sportonderzoeker Maarten van Bottenburg. Vanuit de sport kwam de expertise van coryfeeën als Johan Cruijff, Pieter van den Hoogenband en Richard Krajicek. AZ-directeur Toon Gerbrands bracht zijn kennis van management in, Heleen Crielaard van Rabobank haar ervaring met sponsorzaken en de invalshoek van de bond belichtte Johan Wakkie, directeur van de hockeybond.

„Het waren zeer inspirerende gesprekken”, zegt Hendriks, die vervolgens met de bonden is gaan praten. „Wat zijn daar de ambities en de prognoses? En wat kunnen zij financieel bijgedragen? Zodra in kaart is gebracht hoe de toptien is te bereiken, moet er een stappenplan komen. Ik had het plan graag voor het nieuwe jaar willen presenteren, maar de opdracht bleek moeilijker dan verwacht. Ik wacht nu tot na de Winterspelen in Vancouver.”

Mooie vergezichten, waarvoor Hendriks geld moet vinden? Een knelpunt, weet hij als geen ander. „Om te beginnen moeten we het beschikbare geld beter besteden. En daarnaast nadenken hoe we een steviger sponsorbasis onder de olympische ringen kunnen leggen. Maar we kunnen ook aansluiten bij bestaande budgetten. Misschien zijn er mogelijkheden in de probleemwijken met het integratiebudget. Ik denk dan aan een olympisch boksprogramma. Wat zou het mooi zijn als we op die manier tegen een jongen kunnen zeggen: we gaan jou zes jaar begeleiden en openen een deur die misschien wel naar de Spelen leidt. En uiteindelijk moeten we met een gedegen plan bij de overheid aankloppen. En niet alleen de rijksoverheid, maar ook de gemeenten. Je ziet dat bijna alle grote steden tegenwoordig heel nadrukkelijk een visie op topsport hebben.”

Vooral die laatste vaststelling sterkt Hendriks in de haalbaarheid van zijn ambities. „Toen ik negen jaar geleden wegging uit Nederland was eerzucht een beladen woord. Ik werd afgeschilderd als iemand die te ver voor de troepen uitliep. Nu blijken mensen om me heen net zo hard te lopen. De ambitie is toegenomen. Men wil weg van het grijze, het normale. Ik vind het fascinerend te zien hoe Nederland in alle geledingen aan het nadenken is om een sterk sportland te worden.”