Bont, fluweel en satijn

Eddy Schavemaker – Eglon Hendrik van der Neer. Zijn leven en werk – 569 blz. Universiteit Utrecht, 4 december 2009. Promotor Prof. Dr. P. A. Hecht

Meer dan driehonderdduizend euro werd twee maanden geleden bij Christie’s in Amsterdam betaald voor een klein schilderijtje van een meisje met een luit. Veel geld voor werk van een zeker niet algemeen bekende zeventiende-eeuwse meester: Eglon Hendrik van der Neer. Een paar jaar geleden bracht een ander schilderij van hem in New York zelfs bijna een miljoen dollar op. In beide gevallen gaat het wel om een voor de kunsthandel aantrekkelijke voorstelling. Zó aantrekkelijk, dat het nu in Amsterdam geveilde schilderij in 1940 voor tienduizend gulden werd aangekocht voor Hitler’s nooit gerealiseerde ‘Führermuseum’ in Linz.

Men dacht toen nog wel dat het om een meesterwerkje van Frans van Mieris ging. Van der Neer had ook veel contact met deze als schilder veel belangrijkere collega en ontleende in zijn werk ook veel aan hem. Eddy Schavemaker noemt Van der Neer een ware ‘ekster’ en toont ook overtuigend aan hoeveel hij in zijn werk van anderen, behalve van Van Mieris vooral ook van Gerard Ter Borch, heeft overgenomen. Een ontmaskering als plagiator is dat overigens niet. Weliswaar werd ook in de zeventiende eeuw originaliteit zeer gewaardeerd, maar ontleningen en nabootsingen werden allerminst als verwerpelijk gezien.

Bovendien, hoe gek het ook klinkt, we weten nu veel beter welke schilders en welke werken als voorbeeld kunnen hebben gediend dan de kunstkenners destijds. Bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag is ongeveer alles te vinden wat er ooit over de schilderkunst van de Gouden Eeuw gepubliceerd is en dat is ontzettend veel. Niet zo gek trouwens, want in de zeventiende eeuw zijn naar schatting vijf tot negen miljoen schilderijen gemaakt. Veel daarvan is verdwenen, maar zelfs daarvan leeft een deel nog voort door vermeldingen in oude veilingcatalogussen en inventarislijsten.

Eddy Schavemaker heeft veel van zijn onderzoek gedaan bij de RKD. Dat maakte het hem mogelijk een oeuvrecatalogus van Van der Neer op te stellen, met ruim 150 als echt gekwalificeerde werken, een groot aantal kopieën, zo’n 50 verworpen toeschrijvingen en zelfs bijna 250 alleen uit documenten bekende werken. De bestanden van de RKD maken het ook mogelijk de werken van Van der Neer te vergelijken met die van de meesters in wier omgeving hij verkeerde. Zo kan de onderlinge beïnvloeding, maar ook de mate van samenwerking worden vastgesteld.

Archief-en documentenonderzoek is in de kunstgeschiedenis steeds belangrijker geworden. Daar hoort ook onderzoek bij naar de opdrachtgevers, de verzamelaars en de handelaren. Natuurlijk gaat het uiteindelijk om de kunstwerken, maar in het proefschrift van Eddy Schavemaker valt het bijna op hoeveel ruimte hij neemt voor het beoordelen van de kwaliteit van Van der Neers werk. Hij is er bij alle waardering voor een aantal zeer geslaagde stukken in het algemeen behoorlijk kritisch over. Daarin klinkt zeker door dat hij zelf als kunsthandelaar – bij de belangrijke kunsthandel Noortman – er natuurlijk op gespitst is de prijs van een schilderij mede te laten bepalen door de kwaliteit. Ook door de voorstelling trouwens, want iedere handelaar weet dat jonge meisjes in met wit bont afgezette rood fluwelen manteltjes op prachtig glanzende satijnen rokken goed verkopen. Zeker als ze ook nog een prettig decolleté hebben en in hun paarlen oorhangers en blonde haren het licht weerkaatsen. Dat was allemaal het geval op het pas in Amsterdam geveilde schilderij.

Eglon van der Neer (1635-1703) was de zoon van een beroemde vader, Aert van der Neer, specialist in avondlijke landschappen. Pas in de laatste fase van zijn leven is zijn zoon ook landschappen gaan schilderen, heel verfijnd uitgewerkt. Zijn reputatie heeft Eglon van der Neer echter vooral te danken aan zijn uitbeeldingen van fraai uitgedoste meisjes in een deftige omgeving. Van der Neer was met name fabelachtig goed in het weergeven van de glans en de structuur van kostbare materialen als bont, fluweel en satijn. Dat maakte hem geschikt als portrettist voor de hogere standen en voor het destijds ‘modern’ genoemde genrestuk met een of twee figuren, musicerend, een glas wijn drinkend, een brief overhandigend. Kleine verhaaltjes met licht aangezette diepere betekenissen, meestal eenvoudige morele vermaningen uit het werk van Jacob Cats.

Van der Neer was een succesvol schilder, ook internationaal. Hij was hofschilder van de koning van Spanje en van de keurvorst van de Palts in Düsseldorf. Hofschilder was een soort eretitel, maar de keurvorst kende hem ook een jaargeld van 2500 gulden toe en had werken van Van der Neer in zijn privévertrekken.

Tot de top behoorde Eglon van der Neer toch niet. Die positie, niet alleen in de Republiek, maar in heel Europa, was weggelegd voor zijn leerling Adriaen van der Werff, die van de keurvorst omgerekend het zesvoudige aan wedde ontving. Ook zijn reputatie is niet bestand gebleken tegen de tand des tijds, maar inmiddels is in ieder geval onder kunsthistorici wel sprake van een herwaardering van de kunst van de tweede helft en vooral het laatste kwart van de zeventiende eeuw. Toen professor Martin in 1936 zijn grote handboek over de 17e-eeuwse schilderkunst publiceerde, zag hij na de dood van Rembrandt (1669) eigenlijk alleen nog maar verval. Hij miste het eerlijke, heldere en eenvoudige Hollandse realisme. Het werd allemaal te decadent, te academisch en te Frans. Dat dit zeker ook de smaak van de Hollandse opdrachtgevers was, bewees voor Martin en zijn tijdgenoten alleen maar dat de Gouden Eeuw en wat we nu de ‘VOC-mentaliteit’ zouden noemen, echt ten einde was.

Het leven van Eglon van der Neer laat zien hoe weinig ‘nationaal’ schilders dachten en werkten. Dat was ook in de generaties voor hem al het geval, maar in de biografie van Eddy Schavemaker zien we de nog heel jonge Eglon naar Orange vertrekken om daar aan het hof te werken. Daarna gaat hij terug naar Amsterdam, verhuist al snel naar Rotterdam, vandaar naar Brussel om tenslotte neer te strijken in Düsseldorf. Dat ziet er al heel modern uit en dat lijkt nog eens bevestigd te worden als we vervolgens lezen dat hij ook drie keer is getrouwd. Dat is toch minder modern, hij overleefde twee echtgenotes, die hem in totaal 19 kinderen baarden, waarvan er in ieder geval zeven zeer jong of lang voor hun vader stierven. Twee zonen gaven de familienaam door tot in de vorige eeuw in Antwerpen. De schilderijen van Aert en Eglon zijn er nog steeds.

    • Paul Schnabel