Bij de voorplaat

Een mozaïek van potentiële ‘zonnestelsels’. Dat zien we op deze plaat. Ze bevinden zich diep in de Orion Nevel, op bijna 1.300 lichtjaar van de aarde. De Hubble-ruimtetelescoop legde ze vast. In het hart van elk van deze ‘blobs’ van samengetrokken stof en gas is – doordat het stof en gas er dicht op elkaar zijn geperst – een ster ontbrand. Daaromheen bleef een schijf over, waarin koeler stof en gas kan samenklonteren tot planeten. Dat hoeft niet. Sommige ‘protoplanetaire’ schijven op deze plaat worden helder belicht door felle buursterren. Dat maakt hun uiteenlopende vormen – een kwal, boemerang, pijl of frisbee – goed zichtbaar. Maar de stralen van naburige sterren kunnen het stof en gas ook zozeer verwarmen dat het, steeds heter en ijler, ‘verwaait’ in de ruimte. Koele schijven waarvan slechts de donkere schaduw zichtbaar is, maken dus meer kans om uit te groeien tot een stelsel van planeten. [MvdH]