138 cm zoetwaterwolf

Wie een dag professioneel wil vissen, kan een visgids huren. Op zoek naar metersnoek. ‘Het zijn kannibalen.’

zwammerdam aflevering buiten spelen snoeken op de oude rijn foto rien zilvold Zilvold, Rien

De damhertenpopulatie in de Amsterdamse waterleidingduinen explodeert, de wilde zwijnen op de Veluwe vormen een plaag en de edelherten in de Oostvaardersplassen sterven in de winter als vliegen. Belangrijkste oorzaak: ze hebben geen natuurlijke vijand. Voor wolven is in het dichtbevolkte Nederland geen plek. Maar onder water staat al eeuwen dezelfde rover bovenaan de voedselketen: de snoek, Esox lucius. Nederlands record: 137,5 centimeter hapgrage roofvis.

Dat formaat gaan we op deze kraakheldere decemberochtend op de Oude Rijn vast niet halen, maar een metersnoek zou toch moeten kunnen. Willem Beijeman kijkt naar de strakblauwe lucht boven het Groene Hart. „Meer wind was beter geweest. Maar ik reken toch op één à twee stuks.”

De boomlange Beijeman heeft de ogen van een marineman. Dat heb je met zo’n beroep. Hij is gewend om veel naar de horizon te kijken. En in het Groene Hart reikt de horizon net zo ver als op zee. Verder houdt Beijeman zich bezig met riet snijden, mos plukken en eigenlijk alles wat met moerasbeheer heeft te maken. „Dat zit in mijn bloed. Ik ben geboren op een eiland in de Nieuwkoopse Plassen.”

In het buitenland is het huren van een visgids niks ongewoons. Je kunt vliegvissen op forel in Schotland en Zweden, op karper vissen in Engeland en meervallen vangen in Spanje. Maar in Nederland was het fenomeen tot voor kort onbekend. Beijeman en zijn boot kun je voor verschillende vissoorten huren: snoek, snoekbaars, baars en een relatieve nieuwkomer uit Oost-Europa, de roofblei. „Ik wilde wat naast het moerasbeheer. Dat werd vissen, want dat deed ik tóch.”

Voor metersnoeken hebben we speciaal, groot kunstaas nodig. Eén namaakvis ziet er uit als een snoek: „Snoeken zijn kannibalen”, zegt Beijeman. Een ander stuk kunstaas is van helroze plastic en ziet er met zijn dreggen uit alsof het op de kinky afdeling van Christine le Duc is gekocht. En mochten we na een paar uur nog niks hebben, dan kunnen we altijd nog de screaming devil inzetten, een kunstvis waarin losse balletjes rammelen. „Daar worden ze agressief van.”

In het open motorbootje zetten we de hengels in standaards, de fluisterende buitenboordmotor doet het werk: het slepen van het aas. Het beeldscherm van de fishfinder laat het reliëf van de bodem zien. „Metersnoeken zien er op het scherm uit als bananen.”

Op wandelsnelheid passeren we woonboten, jachthavens en eindeloze grastaluds. Groener dan hier is het Groene Hart nergens.

Wij kunnen dus nog hetzelfde vangen als de Romeinen die hier langs de Oude Rijn voorposten hadden. Maar dat betekent niet dat de snoek nog overal in Nederland de baas is. De fosfaten van de wasmiddelen en de kunstmest hebben veel meren en rivieren omgetoverd tot groene soep, zonder waterplanten. Wat Natuurmonumenten ook beweert, het IJsselmeer is in biologisch opzicht een zouteloze plas – zeker in vergelijking met de Zuiderzee. Die fosfaten zijn goed geweest voor blind opererende snoekbaarzen en bodemwroeters zoals brasems. Maar snoeken zijn oogjagers. Die knallen van korte afstand, geleid door een perfecte oog-staart-coördinatie, op hun prooi.

Op veel door algen en modder vertroebeld binnenwater is geprobeerd om de snoek te herintroduceren. In eerste instantie dacht een Deventer ingenieursbureau, dat deze ‘biomanipulatie’ onder de hoede had, dat het uitzetten van duizenden kleine snoekjes volstond. Die zouden dan die wroeters, waarvan het broed ook nog eens de algengrazende watervlooien vreet, opeten en het water ophelderen. Maar dat bleek zoiets als democratie exporteren naar Afghanistan. De snoekjes vraten vooral elkaar op.

Vlak voor een brug in Zwammerdam hapt een onzichtbare snoek. De slip van de molen, die ervoor zorgt dat de lijn afrolt voordat deze breekt, ratelt. Ingehouden adem. Maar het kunstaas schiet meteen weer los.

Dat was er zonder twijfel eentje van 138 centimeter. Op zijn minst.

Als we die hadden gevangen, hadden we hem teruggegooid. Grote roofvissen gooi je nu eenmaal terug. De vraag is onvermijdelijk: wat vindt Beijeman van mensen die zeggen dat dit dieren pesten is. „Als ik jou een haak aan een touwtje door je lip duw, loop je als een mak lammetje achter me aan. Pijn. Vissen met een haak in hun bek zwemmen juist heel hard weg. Dus die voelen niks.” Hmm, ik weet niet of dat Marianne Thieme overtuigt.

De schemerende lucht vult zich intussen met formaties ganzen die op weg zijn naar hun slaapplaatsen op de Reeuwijkse Plassen. En de metersnoeken, álle snoeken, sterker, alle róófvissen hebben het tot op heden laten afweten. Tijd voor de schreeuwende duivel. Die slaagt er inderdaad in om agressie op te wekken. Bij ons. Het ding zigzagt rammelend door het water. Maar bijtende snoeken, ho maar.

Niet getreurd, zegt Beijeman, terwijl we de boot op de trailerhelling duwen. „Wanneer de klanten niks vangen, mogen ze nóg een keer mee. Gratis.”

    • Menno Steketee