Virtueel zwemmen

In ‘Avatar’ bezielen acteurs digitale personages – dankzij de techniek van motion capture (‘MoCap’). De humanoïde aliens zijn geloofwaardig en invoelbaar. De levensechte virtuele acteur komt dichterbij.

De toekomst van de cinema. Een revolutie. De eerste film duurder dan 300 miljoen dollar. Het is superlatief op superlatief: sciencefictionspektakel Avatar, deze week in première, hengelt al een half jaar om aandacht, als een donderwolk die steeds vlak achter de horizon bleef hangen. Na twaalf jaar afwezigheid is het de comeback van regisseur James Cameron, die in 1997 met het megalomane Titanic de grootste en lucratiefste film ooit maakte: opbrengst 1,8 miljard.

Avatar is een nog groter avontuur. Fox, dat het financiële risico met twee groepen investeerders deelt, voerde de kosten nog eens op met een publiciteitscampagne van 200 miljoen om maximale voorpret te kweken. Zo was het in augustus ‘Avatardag’, waarbij 130 IMAX-schermen wereldwijd 16 minuten film vertoonden.

Avatar is voor Hollywoodbegrippen een gok. Anders dan de meeste blockbusters is hij niet ‘voorverkocht’: de film borduurt niet voort op naamsbekendheid van bestaande striphelden, bestsellers, speelgoed of televisieseries. Filmsterren ontbreken: acteurs Sam Worthington en Zoë Saldana kregen pas onlangs enige naamsbekendheid. En de grootste risicofactor: Avatar is gemaakt met ‘motion capture’, een hybride vorm tussen computeranimatie en ‘live action’. De hoofdrollen zijn voor virtuele acteurs, sythespians, op de virtuele maan Pandora – in feite een pentabyte aan digitale stenen, planten en dieren, opgeslagen op de harde schijven van Peter Jackson’s computerbedrijf WETA in Nieuw-Zeeland.

Virtuele acteurs: tot dusver boekten zij slechts flops en magere succesjes. Maar James Cameron, de generaal achter grensverleggende spektakels als Terminator en Aliens, is niet bang uitgevallen. Ook voor Titanic waren de woordspelingen over ondergang, zinken en ijsbergen legio. En zijn Avatar blijkt overrompelend en virtuoos, waarbij je het voorspelbare plot voor lief neemt.

Avatar speelt zich af in 2154 op de woeste maan Pandora, die rijk is aan delfstof Unobtainium (Onverkrijgbarium). De Na’vi zitten in de weg, een taai buitenaards ras van bijna vier meter met blauwe huid, gele ogen, platte neuzen en kattenoren. Als een gehandicapte ex-marinier (Sam Worthington) een kunstmatig gekweekt Na’vi-lichaam mag bezielen – zijn avatar – om bij die aliens te infiltreren, valt hij voor een vrouwelijke krijger en keert zich tegen de roofzuchtige mensheid. Avatar ontrolt zich als een revisionistische western in de traditie van A Man called Horse en Dances with Wolves, met veel geweld in dienst van ecologie en holisme.

Een mens die een kunstmatig lichaam bestuurt: het is ook een treffende metafoor voor de wijze waarop Avatar is opgenomen. Bij motion capture (‘MoCap’), ook wel performance capture, bezielen acteurs digitale personages. Ze dragen met sensoren behangen lycrapakken en spelen voor groene wanden: elke beweging wordt met infrarood gevangen, gedigitaliseerd en vertaald naar hun computerpersonage. Voor de gelaatsuitdrukkingen worden sensoren op het gezicht gelijmd.

MoCap is in films, reclame en videogames al helemaal ingeburgerd: denk aan de miserabele figuur van Gollum in The Lord of the Rings of het tentakelgezicht van kapitein Davy Jones in Pirates of the Caribbean. Maar films met virtuele acteurs in de hoofdrol scoren tot dusver wisselend. Geloofwaardige mensen levert de techniek nog niet op. Regisseur Robert Zemeckis (Back to the Future, Forrest Gump) geldt als pionier en evangelist van MoCap. Zijn eerste MoCap-film The Polar Express (2004), met Tom Hanks in vijf rollen, deed het redelijk: 304 miljoen dollar op een productiebudget van 162 miljoen. Opvolger Beowulf (2007), waarin de mollige vijftiger Ray Winstone een rijzige jonge bodybuilders met wasbord vertolkt, stelde teleur met 196 miljoen dollar. Nummer drie, A Christmas Carol met Jim Carrey in acht rollen, kwakkelt na vijf weken richting kerstmis met een productiebudget dat net is terugverdiend.

Het geldt al vijftien jaar als een ‘heilige graal’ van de computeranimatie: de creatie van de fotorealistische, niet van echt te onderscheiden virtuele acteur. Al net zolang lijkt hij vlak om de hoek te liggen. Een eerste omslagmoment was in 1993 Steven Spielbergs Jurassic Park, toen dinosaurussen uit de computer geloofwaardig het scherm deelden met levende acteurs. „Kun je een dier maken, dan kun je een mens maken”, dacht regisseur George Lucas indertijd. Diens zakenpartner Will Anielewicz profeteerde: „Binnen vijf jaar is de beste acteur een digitale acteur.”

Het was ook in 1994 dat James Cameron een eerste opzet voor Avatar schreef, na een enthousiast middagje filosoferen met de oude meester Stanley Kubrick in diens filmkelder. Cameron gold na The Abyss (1989) en Terminator II (1991) als een tovenaar in computereffecten (computer generated images, CGI): zijn robotagent van vloeibaar metaal maakte grote indruk. Geïnspireerd door Kubrick schreef Cameron in twee weken Avatar, dat hij in 1996 nog aankondigde als „de eerste film met alleen CGI-acteurs”. Nu noemen we dat een virtuele acteur, v-actor of sythespian, toen was de term ‘avatar’ nog gangbaar. In Sanskriet betekent avatar ‘afdaling’ of ‘incarnatie’, als een god in de vorm van een (super)mens in het stoffelijke neerdaalt. Inmiddels is het woord avatar gereserveerd voor digitale poppetjes die ons vertegenwoordigen op internet.

Cameron besloot indertijd Titanic te maken omdat de techniek tekort schoot voor Avatar. De eerste film met louter virtuele acteurs werd in 2001 Final Fantasy: the Spirit Within, een sf-film naar een Japanse videogame die Sony zo’n 94 miljoen dollar verlies opleverde. Het programmeren van gezichtsuitdrukkingen lukte niet erg. Maar motion capture, waarin je ze kopieert, beleefde in datzelfde jaar een doorbraak toen uitvinder Ray Kurtzweil zijn digitale vrouwelijke alter ego Ramona op afstand bezielde.

Ook MoCap kampt nog met kinderziektes. Virtuele acteurs in MoCap ogen vaak als bewegende wassenbeelden met een klamme, plastic huid en glazige, dode ogen. Huidtextuur, gezichtuitdrukkingen, het samentrekken van pupillen: mensen zijn van nature experts in het lezen van de subtielste nuances die MoCap nooit helemaal ving. Jim Carrey als Ebenezer Scrooge in A Christmas Carol bleek recent een stap vooruit, maar hem animeren kostte kennelijk zoveel moeite dat zijn tegenspelers als neef Fred (Colin Firth) nog steeds uit huishoudzeep geboetseerd lijken.

Toch nadert de levensechte virtuele acteur met rasse schreden. Avatar blijkt weer een grote sprong voorwaarts, onder meer omdat het probleem van ‘dode’ ogen lijkt opgelost. Scande men het gezicht met op het gezicht gelijmde sensors, bij Avatar droegen de acteurs een soort helm met een camera aan een hengeltje die op het gelaat is gericht. Die registreert ook de samentrekking van pupillen. Wel speelt James Cameron op veilig: in Avatar verbeelden de virtuele acteurs geen mensen, maar humanoïde aliens. Blauw, maar heel geloofwaardig en invoelbaar.

Dat is niet het eindstation, want Hollywood zet veel geld in op MoCap. Vorig jaar sloegen de grote studio’s, bioscoopketens en regisseurs de handen ineen om de door illegaal downloaden slinkende filmrecettes op te krikken met twee grote ideeën: films in 3D én met MoCap. Peter Jackson en Steve Spielberg werken nu aan Kuifjefilms, Tim Burton komt met Alice in Wonderland, Guillermo del Toro werkt in Nieuw Zeeland aan The Hobbit.

MoCap baart acteurs weinig zorgen, want ze blijven nodig om virtuele acteurs leven in te blazen. Het stelt wel nieuwe eisen aan acteren. De eerste echte MoCap-ster is Andy Serkis, die Gollum en King Kong al tot leven wekte en binnenkort kapitein Haddock in Kuifje. Serkis is een bewegingsartiest die met zijn geprononceerde gelaatstrekken en uitpuilende ogen geboren lijkt voor overacting: een moderne Boris Karloff die een halve terugkeer naar het acteren van de stille film markeert. Hollywood weet Serkis’ optredens nog niet te plaatsen. Voor Gollum kreeg hij niet de Oscarnominatie die velen hem gunden. Zijn stem, lichaamstaal en gezichtsuitdrukking animeerden immers Gollum: wat is dan nog het verschil met de onder latex en grime verscholen John Hurt toen hij in 1980 een Oscarnominatie kreeg als Elephant Man?

Serkis noemt acteren voor kille, groene wanden in lycrapak vooral eenzaam. Hij had meer contact met programmeurs dan medeacteurs. MoCap heeft ook voordelen voor acteurs, stelt pionier Zemeckis. Scènes worden niet langer onder- en opgebroken voor setwisselingen of camerastandpunten: het acteren is ‘puur’ als bij een toneelstuk of repetitie. Maar de steriliteit van de studio en het ontbreken van decors, kostuums, make-up en pruiken bemoeilijkt de inleving, erkent hij.

Het is soms moeilijk MoCap-acteren serieus te nemen. Billy Crudup, deze lente in Londen geïnterviewd over zijn optreden als supermens Doctor Manhattan in de film Watchmen, kon moeilijk in de plooi blijven. Wat wil je als je een lichtblauwe, fluorescerende bodybuilder zonder haar of pupillen speelt, een naaktloper met fors geschapen penis? „Mijn tegenspelers moesten diep van mij onder de indruk zijn”, giechelde Crudup. „Terwijl ik rondbanjerde in een mallotig wit pak met lichtjes en zwarte puntjes als wratten op mijn gezicht geplakt. Schiet dan maar niet in de lach.”

De mollige Ray Winstone, als Beowulf ook een man van graniet, vond het confronterend tegenover de „goddelijk gevormde” Angelina Jolie te spelen in een strak pak dat zijn zwembandjes maximaal profileerde. En dan virtueel zwemmen: „Je hangt aan draden en maait wat door de lucht. Het is belachelijk, maar je moet er doorheen”, aldus Winstone.

Tom Hanks was na The Polar Express (2004) juist euforisch over de bevrijding die MoCap biedt. Grenzen vallen weg. Sean Connery kan zijn hele leven James Bond blijven, Daniel Radcliffe Harry Potter. Een punt dat onlangs werd geïllustreerd in Surrogates, waar een kalende Bruce Willis met kraaienpootjes een robot bestuurt die zijn jonge evenbeeld is, met volle haarbos. Met MoCap kan een zwarte acteur een blanke spelen, een kind een bejaarde, een vrouw een man, een levende een dode.

James Cameron stelt acteurs gerust: „Ik wil acteurs niet vervangen, ik ben gek op acteurs. Wat we vervangen, is vijf uur in de make-up stoel. Nu kan je alles zijn wat je wilt zijn.” Regisseurs die met MoCap werken, strelen de ijdelheid van hun sterren ook door ze vele rollen tegelijk te gunnen. Zo speelde Tom Hanks vijf personages in The Polar Express en Jim Carrey acht in A Christmas Carol. Maar tegen de virtuele bevrijding van de acteur staat de echte vrijheid van de regisseur. Met de computer wordt alles vloeibaar: decors en ook acteurs. Grijns niet breed, frons niet diep genoeg? Dan trek je in de postproductie de mondhoek wat opzij, de wenkbrauw wat omlaag. Nu zijn filmsterren nog nodig om MoCap-films aan de man te brengen: straks schept MoCap misschien zijn eigen sterren.

Acteurs hebben alle reden zich af te vragen wat MoCap betekent voor hun werkgelegenheid en hoe de rechten op hun digitale klonen zijn geregeld. Want juridisch is dat grotendeel terra incognita. Het bestaande portret- en auteursrecht regelt misbruik: Woody Allen won ondanks een rechtzaak tegen een bedrijf dat hem zonder toestemming afbeeldde als Chassidische jood. Maar wat als een producent een beginnend acteur een MoCap-rol op voorwaarde dat hij afstand doet van zijn rechten op dat digitale optreden? Breekt die acteur later door, wat let diezelfde producent dan om zijn op harde schijf vastgelegde digitale kloon in te zetten in reclame, inferieure rolletjes of zelfs pornografie?

En dode acteurs – een apart probleem. In 1998 timmerde het bedrijf Virtual Celebrity Productions aan de weg: het kocht rechten op voor digitale reanimatie van overleden beroemdheden. „We grazen de kerkhoven van Hollywood af op zoek naar talent”, grapte oprichter Jeff Lotman. Van dat bedrijf werd na de dotcom-crisis weinig meer vernomen, maar in 2004 speelde een digitale zombie van de vijftien jaar eerder overleden sir Laurence Olivier de rol van Doctor Totenkopf in Sky Captain and the World of Tomorrow.

Digitale animatie van levende, digitale reanimatie van dode sterren is een juridisch strijdperk van de toekomst. En geen jurisprudentie, stelt Joel Anderson in The Los Angeles Entertainment Law Review, zal dode of levende sterren tegen piraterij beschermen. Staat hun digitale kloon of zombie eenmaal op harde schijf, met al zijn tics en uitdrukkingen, dan kan dat ook illegaal worden gedupliceerd, hergebruikt en gemanipuleerd. Zeker in landen waar het auteursrecht zwak is ontwikkeld. Hoelang voordat Russische pornografen de hand leggen op Angelina Jolie’s sexy MoCap-optreden in Beowulf?

De acteur is nog lang niet overbodig. Maar de virtuele collega biedt genoeg stof tot nadenken.

    • Coen van Zwol