Tussen slapjanussen

Hoe mooi was ze, hoe intelligent, hoe listig en hoe succesvol? En hoe betrokken was ze bij de dood van haar oom? Gravin Jacoba treedt op in een roman en in het boek van een erudiete biograaf.

Jacoba van Beieren [1401 - 1436], gravin van Holland, hertogin van Beieren.

Simone van der Vlugt: Jacoba. Dochter van Holland. Anthos, 318 blz. € 17,95.

Antheun Janse: Een pion voor een dame. Jacoba van Beieren (1401-1436). Balans, 400 blz. € 19,95

Was Jacoba van Beieren (1401- 1436) eigenlijk mooi, of misschien zelfs wel ‘sexy’?

De vraag zou alleen maar interessant zijn geweest als het vermoeden had bestaan dat ze vanwege haar begerenswaardigheid meer macht wist te ontplooien dan wanneer ze als een onaantrekkelijk schriebeltje door het leven was gegaan.

Maar niks macht, laat staan méér macht. Ze had koningin van Frankrijk kunnen worden, als de kleine dauphin met wie ze al op haar zesde was getrouwd (hij was elf), niet voortijdig was gestorven. Ze erfde van haar vader de gewesten Holland, Zeeland en Henegouwen, maar in het noorden gaven vitale steden hun voorkeur aan haar oom Jan die een steviger gezagdrager leek dan een zestienjarig meisje.

De meeste oorlogjes die ze om haar rechtmatig bezit zou voeren, verloor ze. Het gearrangeerde huwelijk met haar volle neef hertog Jan (IV) van Brabant had haar territoriale positie moeten versterken, maar Jan bleek geen ideale, en erger: geen loyale echtgenoot. Ze verliet hem. Toen ze in Engeland hulp zocht bij Humphrey, hertog van Gloucester, bleek andermaal haar talent voor de verkeerde partner – een gedroomde ‘invasie’ van Holland mislukte, net als de gelijktijdig beraamde (gif)moord op de kwaaie oom.

Steeds duidelijker werd dat ze nooit opgewassen zou raken tegen de twee mannelijke ‘vijanden’ uit haar leven: de oom, en neef Filips (de Goede) van Bourgondië, wiens ambities veel verder reikten dan naar een paar losse graafschapjes: hij ijverde voor een Bourgondisch eenheidsrijk dat minstens van Dijon tot Groningen moest reiken.

Kortom: al wás Jacoba mooi of zelfs ’sexy’ geweest – het heeft haar weinig tot niets opgeleverd. Op papier was ze de laatste gravin uit onze middeleeuwen, maar een hofhouding aan het Binnenhof is haar niet eens gegund.

En los van alles: wie had van haar eventuele schoonheid moeten getuigen? De tijdgenoot natuurlijk – maar hoe volstrekt anders was mooi (om ‘sexy’ er verder maar buiten te laten) voor iemand uit de vroege 15de eeuw dan voor ons soort mensen uit de vroege 21ste? Er waren schilders, inderdaad. Maar bijna alles wat aan beeltenis van Jacoba is overgeleverd staat op hypergestileerde (vaak ook nog allegorische) prenten waarop ze in kleding, lichaamshouding en gelaatstrekken altijd meer oogt als een icoon dan als een vrouw.

Gelukkig was er ook Lambert van Eyck (broer van Jan en Hubert) die – voorzover bekend als enige – een ‘volwassen’ portret van haar schilderde in 1432. Het staat op de omslag van de net verschenen biografie van Antheun Janse, en het laat een dertigjarige, ontoeschietelijke vrouw zien: scherpe, bijna harde gelaatstrekken, koele bruine ogen, dunne lippen – alsof een leven vol teleurstellingen zich ten slotte heeft verborgen in hooghartigheid.

Niet mooi. Niet wat wij mooi zouden noemen. De schoonheid moet schrijverslegende zijn geweest. De 18de-eeuwse historicus Jan Wagenaar dweepte al met de vrouw die toen zijn voorouder van drie eeuwen was. Willem Bilderdijk had later geen goed woord voor haar over, maar uit de kwalificaties die hij gebruikte (‘slechts door haar driften geleid’, ‘de overmatige hitte van haar gestel’, ‘onverzadigbare wellust’) krijg je de indruk dat het beeld dat hij zich van haar had gevormd, hem in erotische zin niet helemaal onverschillig liet. Aan het eind van de 19de eeuw raakten Busken Huet en P.J. Blok (‘zelfs in de kronieken beginnen de dorre takken bloesems voort te brengen’) op een lyrische manier weer helemaal in vervoering van haar vermeende charmes.

Het is wonderlijk. ‘Nog steeds’, blijkt ook Antheun Janse zich te verbazen, ‘laat ze Kenau Simonsdr Hasselaer, Amalia van Solms, Maria van Reichersbergch, Louise de Coligny, Margaretha van Parma en vele andere bekende historische vrouwen achter zich’, terwijl je op De Keukenhof (vlak bij het slot Teylingen, waar ze stierf) nog altijd wordt verwelkomd door mooie of lelijke hostessen met een Jacobamuts op.

Vervolg op pagina 2

Hoe mooi was Jacoba, hoe listig, hoe intelligent?

Zou er zelfs sprake kunnen zijn van een formele revival? Twee aan haar bestede boeken in één adventstijd: een roman en een biografie. Dat lijkt bijna geen toeval te kunnen zijn.

De twee hebben vanzelfsprekend weinig met elkaar te maken, afgezien van de titelfiguur, een paar locaties en een paar jaartallen. Je zou naar analogie met Goya – en nadrukkelijk zonder verwijzing naar het eerder bedoelde sex appeal – kunnen spreken van een ‘naakte’ en een ‘geklede’ Jacoba. De naakte is van Simone van der Vlugt, die voor haar half-fictieve Jacoba-portret het hoofdpersonage heeft ontdaan van alle historische, culturele en maatschappelijke kostuumstukken die ze niet kon gebruiken, omdat ze uit was op een eenduidige, bijna tijdloze jonge vrouw. Voor lezers die geen flauw idee hebben wat ze zich bij een 15de- eeuws ‘Nederland’ moeten voorstellen, heeft ze een keurig, maar wel erg summier inleidinkje, een paar regio-kaartjes en de stambomen van wat Bourgondiërs en Beierse Wittelsbachen toegevoegd – maar verder wil ze het liefst doen alsof we te maken hebben met een eigentijds meisje dat toevallig in de middeleeuwen woonde, en zich ondanks een overheersende moeder en drie nogal slapjanussige mannen (of juist daarom), ontwikkelde tot een herkenbare feministe.

Tja, dat kan ook. Daar kan zelfs de Jacoba van Lambert van Eyck nog als ‘bewijs’ voor dienen. Van der Vlugt spreekt zich er niet eens expliciet over uit – net zo min als over de moordpoging op oom Jan (waarvan Jacoba wel heeft móeten weten, als ze ’m niet zelf heeft bedacht) of zelfs maar over Jacoba’s al dan niet mooie fysiek – ze is op het bange af met haar moeilijke stof omgesprongen, en dus komt er (misschien ook door de ik-vorm waarin ze Jacoba laat spreken en denken?) een wel erg bleek, schamel, ‘academisch’ en niet erg invoelbaar eendimensionaal karakter tevoorschijn. En gezien de vele cliché-achtige dialoog- en denkzinnetjes moet ze de literatuur voor haar volgende thriller hebben bewaard.

De Jacoba van Antheun Janse is ‘aangekleed’ tot in elk detail over de betrouwbaarheid waarvan de biograaf zeker kon zijn. In Janses boek zijn de Nederlandse graafschappen, evenals de omringende wereld, vervuld van alles dat op nationale en internationale verhoudingen in het algemeen en op Jacoba in het bijzonder van invloed kan zijn geweest. Dus niet alleen Hoeken en Kabeljauwen worden ‘aangestipt’, ook de Franse Armagnacs versus de Bourgondiërs spelen hun rol; de betekenis van de nog steeds niet geëindigde Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland is aan de orde, en op een ruimere tijdschaal de opkomst van de steden en de burgerij, het ‘herfsttij der middeleeuwen’, het ontluikende vaderlandgevoel, en het begin van een tijdperk waarin niet alleen dichters een gemeenschappelijk idioom leren gebruiken, maar ook steeds meer mensen zich in dezelfde bewoordingen tot de here God richten, en mekaar in één taal kunnen uitschelden.

Het is een boordevolle wereld die Janse ons schetst, en hij lijkt zich er enigszins voor te willen verontschuldigen, want zijn meer dan zorgvuldige onderzoek leidt als vanzelf tot ‘een grisaille, opgebouwd uit louter grijsschakeringen’. Maar, troost hij zichzelf en zijn lezers: ‘Soms kan men daarmee ruimschoots toe’, al is het maar met de erkenning dat Jacoba waarschijnlijk meer geleefd is dan dat ze er zelf veel toe heeft bijgedragen.

Voorzichtig, omzichtig, is Janse niet minder dan Simone van der Vlugt, maar hij beoefent zijn behoedzaamheid op basis van veelte – er zullen weinig kronieken en kroniekjes zijn die hij niét heeft geraadpleegd – om zich er van te vergewissen of Jacoba tussen datum A en datum B wel of niet verbleef in Schoonhoven, op haar Henegouwse kasteel, of als belegeraarster voor de poorten van Gorinchem. En bij twijfel krijgen we op een uitvoerig briefje dat een bepaald feit weliswaar is verondersteld, druk is bediscussieerd of zelfs voor waar is aangenomen – maar altijd: in dubio abstine.

Bij Janse liggen de raadsels op tafel, maar bij gebrek aan driedubbel gebleken zekerheid, blijven het raadsels. Alles over het mislukte huwelijk met hertog Jan IV, over Jacoba’s mogelijke betrokkenheid bij de moordpoging op haar oom, de waarheid over Humphrey en het grote mysterie van haar late liefde voor (de Kabeljauw!) Frank van Borssele, krijgen we te horen onder het onvermijdelijke voorbehoud, dat elke middeleeuwse bronnenstudie nu eenmaal vaker uit hiaten bestaat dan uit vastigheid.

Janse schrijft een aangenaam soort Nederlands, wat allerminst vanzelfsprekend is bij een onderzoek dat ogenschijnlijk van bron naar bron moet hinkelen, en voortdurend het risico loopt het zicht op de ‘eeuw’ te verliezen.

Janse verliest niks. Maar ook hij kan dus geen uitsluitsel geven over de vraag of Jacoba nou eigenlijk mooi was of misschien wel ‘sexy’. Hij twijfelt.