Traditioneel gedonderjaag op een Engels landgoed

Peter Cameron: De stad waar je ten slotte aankomt. Vertaald door Marion op den Camp . Ailantus, 319 blz. € 19,90

Op een landgoed in Uruguay wonen de nabestaanden van de schrijver Jules Gund – zijn weduwe, zijn minnares en zijn oude, homoseksuele broer. Op een dag krijgen ze bezoek van Omar Razaghi, een Amerikaanse student die een beurs heeft gekregen om de biografie van Gund te schrijven. Hij heeft alleen nog toestemming van de nabestaanden nodig, en daar komt hij nu om vragen. Hij komt beslagen ten ijs: zijn afstudeerscriptie heette ‘Weet je nog? Nou, vergeet het maar: de verwoording van culturele verdringing en linguïstische versnippering in het werk van Jules Gund’.

Wanneer je in een boek een scriptie met zo’n titel tegenkomt, weet je dat je te maken hebt met satire. Toch is De stad waar je ten slotte aankomt, de nieuwe roman van Peter Cameron, meer dan dat. Het gaat ook over liefde, onmacht en onvermogen. Kortom, over wat je ‘het menselijk tekort’ zou willen noemen, als dat niet zo pompeus klonk.

De nabestaanden van Gund leven in een statisch niemandsland, waarin ze elkaar verstikkend omklemmen. De komst van Omar wekt ze weer tot leven. Ook de onhandige Omar komt zichzelf tegen; wil hij die biografie eigenlijk wel schrijven, laat hij zijn route niet te veel uitstippelen door zijn bazige verloofde Deirdre? Tot overmaat van ramp wordt hij verliefd op Gunds voormalige minnares en blijkt hij allergisch voor bijensteken.

Ondanks de exotische setting doet De stad waar je ten slotte aankomt (de wat houterige vertaling van The City of Your Final Destination) sterk denken aan het typisch Engelse genre van de ‘landgoedfictie’, waarin een groep personages in een landhuis samenkomt en er vervolgens allerlei verwikkelingen beginnen. Die Engelse sfeer is niet toevallig: op zijn website schrijft Cameron dat hij erg is beïnvloed door Britse schrijfsters als Barbara Pym en Penelope Mortimer.

Subtiel is de roman niet: de naïeve student van buitenlandse afkomst, zijn bazige verloofde, de oudere homoseksueel die sardonisch commentaar levert op de wereld om hem heen – het zijn herkenbare types uit de literaire groothandel. Toch stoort dat niet, omdat Cameron ze overtuigend leven weet in te blazen.

Het beste bewaart Cameron voor het eind: in de laatste hoofdstukken van het boek beschrijft hij hoe het zijn personages verder vergaat. Dit is geen spanningloos postscriptum, maar een slotakkoord dat een onderhoudende roman naar een hoger niveau weet te tillen: vooral in deze hoofdstukken groeien de personages uit tot echte mensen. Ze leken allemaal vast te zitten in hun eigen impasse, maar stuk voor stuk weten ze zich los te maken uit het verleden. Het is overdreven te zeggen dat Cameron zijn personages góed terecht laat komen, maar hij laat ze terechtkomen, en dat is genoeg. In de slothoofdstukken overtreft hij zichzelf door alle sporen van satire achter zich te laten, en zo eindigt zijn roman bijna majestueus, in een stemming die tussen verlossing en berusting in zweeft. Als lezer word je daar een beetje stil van.