Takken en twijgen van één boom

Was hij eens gespitst op de ‘verachters van de christelijke religie’, Willem Jan Otten schrijft nu liever over ‘geloven’ dan over datgene wát hij gelooft.

Willem Jan Otten: Onze lieve vrouwe van de schemering. Van Oorschot, 262 blz. €17,50

Tien jaar geleden hield Willem Jan Otten een rede op de Vrije Universiteit in Amsterdam, ‘Het wonder van de losse olifanten. Rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie’, waarin hij sprak over zijn bekering tot de katholieke kerk. Gezien de locatie van de VU was het wat merkwaardig dat hij zijn publiek aansprak als ‘verachters van de christelijke religie’. Maar als stijlmiddel voor zijn betoog werkte het wel. Ottens geloofsverdediging kreeg zo het karakter van een strijd, een manmoedig ‘ja’ van een ‘christen der laatste dagen’ die tegen de stroom in durfde te gaan, verdedigde wat rationeel niet te verdedigen valt. En dat laatste was ook hetgeen waar Otten de nadruk op legde: ‘Iedere beweging die tegen de twintigste-eeuwse depressie van dood = dood in gaat kan alleen maar irrationeel zijn.’ Elke christen gelooft ‘tegen de feiten in’, stelde hij, en daarom had het ook geen zin om er een gesprek met andersdenkenden over te voeren: ‘het heeft geen zin om met u te praten over de inhoud van de christelijke religie, en met mij welbeschouwd ook niet. Wanneer ik met een geloofloze over geloof praat, dan heeft hij het over iets anders, aldus Dostojewski’.

Uit de spraakverwarring tussen gelovigen en atheïsten trok Otten de conclusie dat de kloof tussen hem en zijn rationalistische toehoorders onoverbrugbaar was: ‘Ik zou er wat voor geven als ik u dit bij benadering uit kon leggen, want ik moet bekennen dat ik het soms door en door beu ben dat u het, wanneer u mij over geloven aanspreekt, altijd over iets anders heeft dan ik. Er is een minzaam hoofdschudden waarmee u mij volledig kunt verlammen.’

De vraag is of Ottens voorstelling van zaken klopte. Want de kritiek op zijn redevoering ging eigenlijk nauwelijks over de veronderstelde irrationaliteit van zijn keuze voor de katholieke kerk, maar vooral over het feit dat hij het niet over inhoud van zijn geloof had willen hebben. Otten koos er expliciet voor om alleen te spreken over ‘de akt, of de mentale beweging, van het geloven zelf’. Dat kwam over als een ontwijkende manoeuvre, in de trant van vrijzinnige protestanten die als puntje bij paaltje komt verklaren dat God voor hen eigenlijk liefde betekent, en dat Jezus vooral een heel sociaal mens was. Dat soort wolligheid valt alleen volstrekt niet te rijmen met de agressieve en verongelijkte toon van Ottens rede uit 1999.

Voorwaarden

Het was Otten dan ook om iets anders te doen, toen hij alleen de handeling van het geloven ter discussie wilde stellen, en niet de inhoud ervan. Zijn punt was juist dat hij de discussie op zijn eigen voorwaarden wilde voeren, en in ieder geval de vastgelopen clichétegenstelling tussen geloof en wetenschap wilde laten voor wat die is. Want de discussie hierover die gelovigen en atheïstische wetenschappers nu al zo’n twee eeuwen voeren, gaat uit van de veronderstelling dat geloven hetzelfde is als rationeel denken. Otten wilde juist laten zien dat dit niet zo is. Want pas als er duidelijkheid bestaat over wat geloven eigenlijk is, kan de discussie over de inhoud beginnen.

Tien jaar na zijn befaamde toespraak is Willem Jan Otten eigenlijk nog steeds met hetzelfde bezig; uitleggen wat de activiteit van het geloven eigenlijk inhoudt – zoveel wordt wel duidelijk uit de bundel van zijn essays die hij sinds zijn bekering schreef, Onze Lieve Vrouwe van de Schemering. Geloven heet hier ‘het raadselachtige onbedwingbare, onlogische en bindende tegending dat zijn plaats naast weten, vergewissen en beseffen aan het heroveren is, elke dag weer.’

Ottens toon is aanzienlijk milder dan in 1999. Misschien komt dat omdat hij zich niet meer omsingeld waant door louter atheïstische spotters – de tijden zijn wat dat betreft ook wel enigszins veranderd in Nederland. Bovendien heeft Otten steeds meer geestverwanten om zich heen ontdekt, bijvoorbeeld onder de filmmakers van de afgelopen jaren: ‘Er zijn weer filmers en verhalenbedenkers die in wonderen geloven’, juicht hij naar aanleiding van films als Magnolia, Smoke, Breaking the Waves en Crash. En in zijn essay over Harry Potter ontdekt hij talloze christelijke motieven in het verhaal van de tovenaarsleerling, waar nu een hele generatie kinderen mee opgroeit. De waarschuwingen van de paus voor de verderfelijke occulte invloed van Harry Potter op de kinderziel zijn volgens Otten dan ook onterecht. Gelukkig nam hij de standpunten van het Vaticaan toch al niet zo serieus, ‘juist omdat ik de katholieke geloofspraktijk ken als de ficcion der ficciones die me een uitweg uit de confrontatie met mijn persoonlijke Dementors biedt.’

Bewustzijn

Alle essays uit Onze Lieve Vrouwe van de Schemering gaan over het grensgebied tussen geloof en kunst. En dat bestrijkt een groot terrein bij Otten, want de staat van bewustzijn die geloven voor hem inhoudt, blijkt precies dezelfde toestand te zijn waarin je verkeert als je geraakt wordt door een gedicht, een film of een schilderij. De hele literatuur is ‘één onafgebroken poging om hetzelfde op te vangen’, namelijk transcendentie, het goddelijke dat zich op aarde manifesteert, of katholieker gezegd: transsubstantieert. En de grootste kunstwerken uit de geschiedenis gelden daarbij als ‘takken en twijgen van één boom’ waarvan de stam bestaat uit de ‘stichtingsmythe van onze cultuur – het Bijbelse Boek Genesis’.

Dit soort gedachten vierden al hoogtij onder 19de-eeuwse Romantici, die de sublieme gevoelsmomenten waarin zij kunst beleefden standaard associeerden met religieuze extase. Het lijkt wel of Otten het wiel opnieuw aan het uitvinden is als hij verbaasd constateert: ‘Ik weet zelf soms niet of ik als ik ‘poëzie, film’ zeg niet geloof bedoel, en andersom.’

Dat Otten zijn paranoïde ‘wij tegen de rest van de wereld’-retoriek uit 1999 heeft laten rusten, is op het eerste gezicht een verademing. Maar na zo’n twintig essays in Onze Lieve Vrouwe van de Schemering begon ik bijna terug te verlangen naar de onredelijke toon van die redevoering. Daar zat tenminste nog pit en strijdlust in. Zijn toenmalige weigering om het over de inhoud van zijn geloof te hebben, suggereerde ook dat hij dat deed om de premisses van het gangbare debat te veranderen en niet om de vraag zelf te ontwijken. Maar tien jaar later wil Otten het nog steeds alleen maar over geloven hebben, niet over wát hij dan gelooft. Met het verdwijnen van de vijanden is alleen de wolligheid overgebleven.

    • Ewoud Kieft