Sneeuw

Mijn vriend is gisteravond naar het theater gegaan. Ik wilde graag mee, maar omdat we geen oppas hadden kunnen vinden, en omdat het zijn idee was geweest de voorstelling So long Snow van Karen Røise Kielland te bezoeken, en omdat hij Kielland kent, en omdat ik de avond ervoor al was uitgegaan, was het vanzelfsprekend dat hij zou gaan, en ik thuis zou blijven.

‘Vanzelfsprekend’, zei ik.

Zodra hij de deur uit was, begon ik me eraan te ergeren dat ik nooit zou weten wat er op het podium gebeurde. Er ging een wereld open naast die van mij. In die wereld ontstaat alles wat voor mij onbereikbaar is. Het is een wereld waarin een betere versie van mijzelf lachend en fluitend door het leven gaat.

Deze betere ik is symmetrisch en langer dan ik. Ze schrijft duizend woorden per dag. Dan gaat ze soep koken voor daklozen. Verhalen voorlezen aan wezen.

Ik kan haar meestal negeren. Maar toen ik alleen op de bank zat, en me voorstelde dat zij in de theaterzaal tegen mijn vriend aankroop, ging er een kwade, inktzwarte bloem in mij open.

Het sneeuwde in de zaal. Het begon met een licht dwarrelen, en al gauw zat het publiek tot de enkels in de sneeuw. Mijn betere ik pakte de hand van mijn vriend.

Ze keken naar een witte auto, bewegingloos in de sneeuw. Wit in wit, in elkaar opgaand. Ik heb dit beeld van de auto niet zelf verzonnen. Het komt uit een film van Ryan Gander, een kunstwerk dat ik óók al niet heb gezien. Verschillende mensen hebben me er over verteld.

Wanneer mijn vriend thuis komt, gaat hij op een stoel zitten en begint schaatsende bewegingen te maken. ‘Zo deed ze’, zegt hij.

Het is bijna half drie. En ik wil slapen.

‘Het was geweldig!’

Ik wil wél en níet weten wat mijn vriend heeft gezien. Het feit dat hij zo enthousiast is, maakt het niet gemakkelijker.

Hij straalt.

Ik wil weten wat hij heeft gezien. Ik wil alles weten.

Er was een grijsgroen, kantoorachtig interieur, begrijp ik uit zijn verhaal. Het publiek zat in dit kantoor. Een paar mensen haalden – zonder een woord te zeggen – herinneringen op aan sneeuw. Ze maakten sneeuwballen van A4’tjes.

Iemand liet zo’n sneeuwbal in de nek van een ander glijden. Er ontstond een sneeuwstorm van stroken A4’tjes die onder een ventilator door een papierversnipperaar werden geleid. Althans, zo heb ik het begrepen.

De wanden rondom het kantoor leken op projectiewanden. Ze gaven zicht op een extreem kleurrijke wereld waarin kinderen poseerden, als voor een foto. Ze waren daar echt. Ze droegen feloranje mutsen en neon sneeuwlaarzen.

Terwijl mijn vriend vertelt hoe goed het was dat juist de kinderwereld zich in kleur afspeelde, terwijl het ‘nu’ van de kantoorruimte flets was, herinner ik me dat ik een sneeuwbal maakte die groter was dan ikzelf.

Ik had een nieuwe paarse jas aan. Mijn vader nam een foto. Ik weet niet of ik me het moment herinner waarop de foto werd genomen, of dat ik me de foto herinner. De sneeuwbal smelt onder mijn handen. Het paars van de jas vervaagt en wordt flets.

Ik kijk naar mijn handen en vraag me af of ze al een herinnering zijn.

    • Maria Barnas