Obama: niet van Venus en ook niet van Mars

Het was Barack Obama nog niet eerder overkomen dat hij zoveel applaus kreeg uit conservatieve hoek. Eerst besloot hij na langdurig beraad tot een escalatie van de oorlog in Afghanistan. En een week later hield hij in Oslo, waar hij de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, een pleidooi voor de rechtvaardige oorlog.

De toespraak was een genuanceerd betoog over de dilemma’s van oorlog en vrede. Maar Sarah Palin herkende er veel van haar eigen ideeën in. Newt Gingrich noemde de rede historisch. Michael Gerson, oud-speech writer van George W. Bush en tegenwoordig commentator in de media, was blij dat Obama nu eens niet als wereldburger sprak, maar een echt Amerikaans verhaal hield.

David Brooks, de New York Times-columnist die het dichtst bij de Republikeinen staat, prees het ‘christelijk realisme’ van de president, dat geworteld is in het werk van de door Obama zeer bewonderde theoloog Reinhold Niebuhr. En de conservatieve denker Robert Kagan zag in de Oslose rede zelfs een keerpunt. Na de softe Obama van het eerste jaar kan de wereld zich nu opmaken voor een hardere Amerikaanse buitenlandse politiek, schreef hij tevreden.

Meer dan zestig jaar hebben de Verenigde Staten geholpen de veiligheid in de wereld te verzekeren, betoogde Obama in Oslo, en niet alleen met verdragen en internationale organisaties, maar ook „met het bloed van onze burgers en de kracht van onze wapens”. En: oorlog is soms noodzakelijk, want „een geweldloze beweging had Hitlers leger niet kunnen tegenhouden. Onderhandelingen kunnen Al-Qaeda er niet van overtuigen de wapens neer te leggen.” Taal naar het hart van de conservatieven.

Maar is Obama echt in minder dan een jaar veranderd van een duif in een havik? „Hij zou niet de eerste president zijn die zo’n transformatie doormaakt”, schreef Kagan. Maar de wens lijkt hier de vader van de gedachte. Alom is Obama’s Nobelprijs voorbarig genoemd. Maar pas echt voorbarig is het enthousiasme waarmee rechts de geboorte van een nieuwe ‘Obama-doctrine’ viert.

In een eerder tijdperk, toen George W. Bush zich opmaakte voor de invasie van Irak, stelde Kagan in zijn bestseller Of Paradise and Power het machtige Amerika tegenover het zwakke, oorlogsschuwe Europa. De voormalige bondgenoten aan weerszijden van de Atlantische Oceaan leven niet meer in dezelfde wereld, schreef hij, ze begrijpen elkaar niet meer. De een neemt zijn verantwoordelijkheid in de wereld, desnoods militair. De ander blijft liever aanmodderen met diplomatie, verdragen of het afkopen van problemen. „De Amerikanen komen van Mars, de Europeanen van Venus”, was de beroemd geworden slogan die hij ontleende aan een self-help- boek over de verschillen tussen mannen en vrouwen.

Het was een aantrekkelijke stelling, maar een grove simplificatie van de werkelijkheid. Wie erin geloofde begreep niet alleen de wereld verkeerd, maar ook Barack Obama.

Alleen omdat zijn tegenstanders hem zo vaak hebben afgeschilderd als iemand die qua ideeën eigenlijk meer een softe Europeaan is dan een echte Amerikaan, konden ze zo verbaasd zijn over zijn stevige taal in Oslo. Obama is geen pacifist, nooit geweest ook.

Hij was tegen de oorlog in Irak, maar hij had er heus geen bekering voor nodig om te kunnen zeggen dat hij als president in de eerste plaats zijn eigen land moet beschermen en verdedigen. En zijn betoog over de noodzaak soms militair op te treden was ook niet typisch Amerikaans. Vraag dat maar aan Joschka Fischer, die in 1999, als leider van de Duitse Groenen nota bene, en minister van Buitenlandse Zaken, door zijn land trok om de Kosovo-oorlog te verdedigen.

Het interessante aan Obama is dat hij niet zo makkelijk te plaatsen is. Hij past niet in eenvoudige schema’s, tot verbazing van zowel veel aanhangers als tegenstanders. Hij is niet van Venus, en ook niet van Mars.

In Oslo waarschuwde hij alle vredesduiven in de wereld met een formulering die sterk aan zijn voorganger deed denken: „Vergis je niet: het Kwaad bestaat in de wereld.” Veel Europeanen zullen zich ongemakkelijk voelen bij dit beroep op een begrip met zulke religieuze connotaties. Terwijl de terugkeer van het Kwaad in het Washingtonse vocabulaire Sarah Palin juist zo aansprak.

Maar anders dan Bush is Obama niet alleen doordrongen van het wezenlijke belang om als supermacht ook in tijden van oorlog trouw te blijven aan je idealen, zoals de mensenrechten. Hij beseft bovendien hoe groot het gevaar van Amerikaanse overmoed is – een belangrijke thema bij zijn favoriete filosoof Niebuhr.

Obama sluit de ogen niet voor de paradoxen waar hij zo op stuit. „We moeten”, zei hij in Oslo, „twee schijnbaar onverzoenbare waarheden zien te verzoenen: dat oorlog soms noodzakelijk is, en dat oorlog op een bepaald niveau een uitdrukking is van menselijke dwaasheid.” Dat is zijn filosofie. Nu gaat het erom hoe hij die in de praktijk toepast.

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel