Nu moet de échte Jacques Chirac eens opstaan

Jacques Chirac: Chaque pas doit être un but. Mémoires. Editions Nil, 503 blz. € 19,90

Saddam Hoessein was ‘intelligent, niet gespeend van humor en zelfs tamelijk sympathiek.’ Dat was het oordeel van de Franse premier Jacques Chirac, toen hij de Iraakse leider in oktober 1974 in Bagdad opzocht. Een maand later kreeg Saddam een hartelijk welkom in Frankrijk. Chirac leidde hem rond in een nucleaire fabriek, vierde een weekendje ‘privé’ met hem en beloofde Saddam ‘mankracht, technologie en kennis.’

De dictator van Irak zou nog generaties westerse leiders ontmoeten. Zo gaat dat in democratieën: politici komen en gaan. Behalve Chirac. Die bleef. Hij past in elk geval in een opzicht in een rijtje met De Gaulle en Mitterrand: Franse leiders met een predemocratische verhouding met de tijd. Na jaren oppositie, een tweede premierschap in 1986, en een eerste verkiezing tot president in 1995, was Chirac juist op zijn hoogtepunt in 2003, toen Saddam verjaagd werd. Door zich in de VN te verzetten tegen de Amerikaanse aanval op het Irak van zijn vroegere maatje.

Wat rest er van zijn lange aanloop naar de macht? De 77-jarige, gepensioneerde politicus beantwoordt die vraag met het eerste deel van zijn memoires, over de periode vóór zijn presidentschap.

De titel lijkt een program: Chaque pas doit être un but. Let wel, niet elke stap hééft een doel, maar ís een doel. Hier spreekt Chirac de filosoof, en niet het machtshongerige politieke dier dat hij volgens zijn biografen is geweest. Die beschouwelijke afstand houdt hij precies twee pagina’s vol.

En dan begint het – prozaïsch als maar kan. Als jonge ambtenaar wordt Chirac voorjaar 1966 ontboden bij zijn werkgever, premier Pompidou. Hij moet de politiek in. ‘Ik antwoord dat ik niet geloof daarvoor geschapen te zijn.’ Het was niet Chiracs laatste verkeerde inschatting die goed uitpakte. Het antwoord blijkt goed voor een kandidatuur in een beter kiesdistrict, de Corrèze, provincie waar de Chiracs wortelen en dat een goede basis blijkt om later kiezers in het hele land te winnen.

Wat volgt, is 500 pagina’s manoeuvres en miscalculaties, plannetjes en tegenslagen. Chirac probeert vaak wat, en lang niet altijd het meest logische. Maar aan het einde zijn er maar drie mogelijkheden: Chirac wint, Chirac redt de eer, of Chirac verliest, maar houdt vol.

Hier en daar claimt hij een overtuiging. Zo zegt Chirac "vanaf het begin een Europeaan" te zijn geweest, zij het meer met het hoofd dan het hart, in beslag genomen door het Franse belang in een integrerend Europa. Zijn anti-Europese 'Appèl de Cochin' uit 1978 , dat toen electoraal profijtelijk leek, gumt hij eenvoudig weg: dat was het werk van zijn adviseurs, op wie even niet kon toezien omdat hij in het ziekenhuis lag.

Ook achteraf heeft Chirac opvallend weinig afstand tot zijn verleden als politieke vechter. Hier glinstert geen gedachtegoed: een machtspoliticus in ruste denkt nog altijd als een machtspoliticus. (Dat maakt nog benieuwd naar Chiracs verhaal over de Irakoorlog in deel twee van zijn memoires).

Kansberekening bepaalde zijn loopbaan: welke positie brengt me in het winnende kamp bij de volgende presidentsverkiezingen? Valéry Giscard d’Estaing werd in 1974 even achteloos mede door Chirac aan het presidentschap geholpen als in 1976 weer verlaten, toen Chirac voelde dat er 1981 geen herhaling inzat. Metgezel Edouard Balladur werd in 1993 premier omdat Chirac die rol geen goede uitgangspositie achtte voor zijn eigen presidentiële kansen. Dat Balladur vervolgens kandidaat-president werd, heeft Chirac hem nog altijd niet vergeven.

Met het gelijk van de uiteindelijke winnaar maakt Chirac nu de rekening op. Hij bekladt vijanden, Giscard voorop. Hij zwijgt over affaires die hem nog voor de rechter kunnen of zullen brengen. En hij presenteert aardige anekdotes, ook over de internationale politiek, waarmee hij vooral als premier van 1974 tot 1976 en van 1986 tot 1988 bemoeienis had. Naast sympathie voor Saddam koesterde Chirac ontzag voor Margaret Thatcher, voor wie ‘iedereen een beetje bang was’ sinds de Falkland-oorlog. Met voormalig Sovjet-leider Gorbatsjov kreeg hij ruzie, die vertrouwde hij niet.

Als premier vond hij het gemakkelijker samenwerken met de socialistische president Mitterrand dan met geestverwant Giscard. Chirac prijst het ‘verfijnde politieke inzicht’ van zijn jarenlange tegenstander. Al met al illustreren zijn memoires hoezeer het presidentschap de Franse politiek structureert. De strijd om het Elysée is een draaikolk die iedereen meezuigt. Wat Chirac Chirac maakt, is dat hij als een overlevingskunstenaar decennia lang mee zwierde – tot hij in 1995 het stille centrum bereikte.

Als president voerde Chirac gesprekken met de eerdere Mitterrand-biograaf Pierre Péan. Dat leidde in 2007 tot het biografische L’Inconnu de l’Elysée. Na veertig jaar zouden de Fransen Chirac nog steeds niet echt kennen, zozeer hadden het politieke spel en de eeuwige electorale campagne zijn imago bepaald. Het eerste deel van zijn memoires wil ons doen geloven dat de verborgen Chirac nooit heeft bestaan. De politiek liet geen ruimte voor de rest van hem.

    • René Moerland