'Mijn ballingschap is cultureel'

Door gebrek aan communicatie begrijpen Afghaanse generaties elkaar niet meer, aldus Atiq Rahimi, wiens romans inmiddels in de prijzen zijn gevallen.

Heel voorzichtig en stijf laat Atiq Rahimi zich zakken op een hoge, rechte stoel. Hij zal meer dan een uur zijn hoofd niet draaien en onbeweeglijk blijven zitten, hoe hard de boormachines ook tekeer gaan en wat voor transport er ook vlak achter hem langs rijdt. Rugproblemen.

In galerie VU’, vlakbij de Bastille in Parijs, waar hij mij te woord staat, heerst voelbare stress. Foto’s in kisten worden binnen gereden, gaten geboord. Het zijn foto’s die deel uitmaken van Djân, de door Atiq Rahimi samengestelde expositie in het kader van de jaarlijkse manifestatie Paris Photo. Naakte dansers, een zittende Afghaan tussen ruïnes, een baby, een vluchteling ineengerold op een bank. Het menselijk lichaam in al zijn gedaanten.

Het lichaam is als thema erg aanwezig in uw werk, of het nu om literatuur, film of, zoals hier, om foto’s gaat.

„Ik ben altijd geïntrigeerd geweest door onze verhouding tot ons lichaam. In Afghanistan verbergen we het, schamen we ons. Het lichaam is er synoniem met lijden. In de joods-christelijke cultuur moet het lichaam dwalen, lijden voor het het paradijs bereikt. Abraham kreeg opdracht het lichaam van zijn zoon te offeren, Jezus wordt gekruisigd. Het lichaam als offer.

,,In de islam is het lichaam een voorwerp dat je moet vernietigen. Wat belangrijk is, is de ziel. Het lichaam is vergankelijk. Zo onbegrijpelijk is het dus niet dat zelfmoordterroristen van hun lichaam een bom maken. In het oude boeddhisme maakte men geen onderscheid tussen lichaam en geest. Djân is een oud Perzisch woord dat beide betekenissen heeft. Het zijn als het ware twee zijden van een vel papier: verscheur je de ene kant, dan verscheur je ook de andere. Met de komst van de islam in Afghanistan en Iran kwamen er twee afzonderlijke woorden voor. Alleen de grote mystieke dichters bleven ‘djân’ gebruiken. Ik zou daar graag weer naar terugkeren.”

Ook Steen van geduld. Sange saboer, Rahimi’s vierde roman, die vorig jaar de Prix Goncourt kreeg, kun je lezen als een reflectie over het lichaam. De roman vertelt over een vrouw die ‘ergens in Afghanistan of elders’ waakt bij het lichaam van haar man die in coma ligt. Rond het huis wordt gevochten, gemarteld, gedood. De vrouw bidt, verwoordt de pijn van de vernedering en de mishandeling die zij al zo lang te verduren heeft, spreekt openhartig tegen de harde, kille klomp vlees als was het haar ‘geduldsteen’, een steen waaraan je je verdriet kunt toevertrouwen. Een vergissing.

Het boek is geschreven ‘ter nagedachtenis aan N.A., een Afghaanse dichteres die op brute wijze vermoord is door haar echtgenoot’.

„Nadia Anjuman was een Afghaanse dichteres van 25. Ik kende haar niet, maar ze schreef prachtige gedichten. Ze nodigde me uit voor een festival, maar werd een week ervoor vermoord door haar echtgenoot. De man had benzine in zijn aderen gespoten en lag in coma in het ziekenhuis. ‘Een familieaangelegenheid’ was het enige commentaar.

„Ik was woedend en verontwaardigd. Ik stelde me voor dat die jonge vrouw al haar grieven over haar man zou kunnen uitstorten. Het zette me aan het denken over het lot van vrouwen in veel landen. Blijkbaar kan de vrouw pas vrijelijk over haar verdriet, dromen en frustraties spreken als de man verlamd is.

„Nee, ik ben geen feminist, ik verafschuw iedereen die op macht belust is. Van nature sta ik aan de kant van degenen die lijden. In Aarde en as is dat een oude man. Alle mannen hebben iets vrouwelijks in zich.

Waar ligt volgens u de bron van het geweld in Afghanistan?

„Alle boeken die ik tot nu toe heb geschreven draaien om een communicatieprobleem. Niemand slaagt erin een ander te bereiken, niemand kan een ander uitleggen wat hij diep van binnen voelt. Dat komt omdat mensen in oorlog leven. Een oorlog breekt iedere vorm van communicatie af, of het nu politiek, sociaal, seksueel of psychologisch is. In Afghanistan begrijpen de generaties elkaar niet, dat is de bron van het geweld. Kijk naar de problemen in de Parijse banlieues. Ik zal niet politiek correct zijn en zeggen dat die jongeren aan hun lot zijn overgelaten. Maar ze zijn evenmin in staat te communiceren. Dus doen ze dat via geweld. In Afghanistan is de ene oorlog gevolgd op de andere, de ene wraak op de andere. Nooit was er een periode van rouw, zo ongelofelijk belangrijk in het verwerkingsproces.’’

Rahmi is in 1962 in Kabul geboren in een moderne, welvarende familie. Zijn grootvader was arts en protocolchef van de koning, zijn vader rechter bij de Hoge Raad, zijn moeder richtte in de regio de eerste school voor meisjes op. Bij de staatsgreep van 1973 (door een ex-premier, met communistische steun, MD) verdween zijn vader, monarchist, voor drie jaar achter de tralies, waarna zijn ouders in ballingschap gingen in India. Na een korte terugkeer tijdens de Sovjetperiode vestigden zij zich in de VS. In 1984 besloot Rahimi Afghanistan te verlaten. In negen dagen liep hij naar Pakistan, waarna hij asiel aanvroeg in Frankrijk. In Parijs haalde hij een doctorstitel in de semiologie van de film. Sindsdien maakt hij films en schrijft hij romans, waarin hij de tragedie van zijn vaderland onderzoekt. In zijn werk vind je oosterse én westerse elementen.

Rahimi: „Ik ben in twee culturen opgegroeid en dat zie je in mijn werk. Ik ben gevormd door Perzische poëzie en ook door de westerse narratieve technieken. In mijn werk vind je referenties aan Perzische miniaturen, maar ook aan schilders als Mantegna, Caravaggio, Goya en Turner. Toen mijn vader in de gaten kreeg dat ik kon lezen, vroeg hij een vriend een uitgebreide huisbibliotheek samen te stellen met alle klassieken uit de wereldliteratuur. Hugo, Balzac, Flaubert, Maupassant in Perzische vertalingen, allemaal gemaakt door Iraniërs. De Afghaanse cultuur is veel verschuldigd aan Iran. Dankzij dat land zijn er veel westerse boeken vertaald, Afghanen hadden daar nooit de middelen voor en ook niet de vertalers.’’

Is er nog sprake van een cultureel leven in Afghanistan?

„Dertig jaar oorlog heeft de Afghaanse culturele structuur volledig vernietigd. Veel dichters en schrijvers hebben het land verlaten, anderen zijn vermoord of zitten in de gevangenis. Dat zorgt ervoor dat jonge generaties geen culturele identiteit meer hebben, geen cultureel houvast. Dat is erg gevaarlijk. Een deel van de jongeren is naar Iran gegaan en daar beïnvloed door de Iraanse cultuur. Een ander deel is naar Pakistan gevlucht en door de Pakistaanse cultuur gevormd. Zo verliest een hele generatie haar identiteit.’’

Ziet u daarin een rol voor uzelf?

„Een hele nederige. Ik ga regelmatig naar Kabul en leid er een workshop scenarioschrijven voor jongeren. Als ik zie onder welke moeilijke omstandigheden zij moeten leven. Vroeger keken de Afghanen naar populaire Indiase soapseries op tv. Die hadden niets te maken met de Afghaanse werkelijkheid. Ik heb die tv-zender toen voorgesteld een Afghaanse soap te maken, met de Afghaanse werkelijkheid, met onze eigen problemen. Dat hebben ze gedaan, het was een groot succes. Ik heb de pilot gemaakt en het stokje doorgegeven aan een 25-jarige vrouw.Het is een druppel op een gloeiende plaat, maar beter dan niets.’’

In Frankrijk zet u zich op veel manieren in voor Afghanen.

„Het zijn jongeren die de oorlog, de Talibaan zijn ontvlucht. Ik was in het vluchtelingenkamp in Calais, heb met hen gesproken, dossiers opgesteld. Die jongens zijn heel jong, tussen de 13 en 18 jaar, veelal afkomstig uit het zuiden van Afghanistan, waar de Talibaan zitten. Als ze niet hier naartoe komen, worden ze geronseld door de fundamentalisten en op zelfmoordmissie gestuurd. Dus ja, ik zet me voor hen in, niet uit humanitaire overwegingen of uit de wil politiek correct te zijn, maar uit gezond verstand.’’

U noemt uzelf een culturele balling.

„Ik ben geen politicus. Politiek gesproken zou ik in Afghanistan kunnen gaan wonen. Ten tijde van de Sovjetperiode was ik jong, had ik een communistische [inmiddels gesneuvelde, MD] broer die me beschermde. Ik kon zelfs naar Rusland gaan, met een beurs. Dat wilde ik niet. Ik kon me niet identificeren met de door de Sovjets geïnstalleerde cultuur, niet met het fundamentalistische verzet en niet met de mujahedeen. Dus koos ik de weg van balling. Mijn ballingschap is cultureel.’’

‘Een steen van geduld’ is het eerste boek dat u in het Frans schreef. Wordt het in Afghanistan gelezen?

„Het is in het Perzisch vertaald, in Iran, maar niet gepubliceerd. Misschien gebeurt dat ooit in Turkije of in Frankrijk. Ik denk dat mensen het clandestien lezen. Als het boek in de handen van de Talibaan valt, zullen ze me ik weet niet wat aandoen. De situatie is hopeloos. De barbaren die in Afghanistan mensen, films en boeken censureren zetten zelf, als ze ’s avonds thuiskomen, de satelliettelevisie aan en kijken naar pornofilms. De hypocrisie!’’

Atiq Rahimi: Steen van geduld. Vertaald door Kiki Coumans. De Geus, 121 blz. € 15,90. De expositie ‘Djân’ duurt tot 9/1/2010 in Galerie VU’, 2, rue Jules Cousin, 75004 Parijs. Rahimi’s film ‘Terre et cendres’ werd in 2004 in Cannes bekroond met de ‘Regard sur l’avenir’.