Logo's en andere nutteloze Haagse dingen

Joost Heldeman: Het geheim van Den Haag. Contact, 160 blz. € 14,95

‘We leven in een tijd van razendsnelle veranderingen. Wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen grijpen drastisch in op onze manier van leven en werken. De grenzen vervagen. Grote vraagstukken op het gebied van economie, demografie, migratie, integratie van culturen, de kloof tussen arm en rijk, veiligheid en milieu hebben allemaal een internationaal karakter.’

Aldus een nota zoals die ter tafel komt in Het geheim van Den Haag, de debuutroman van Joost Heldeman, die volgens zijn uitgever sinds 1991 rijksambtenaar is. Sinds vorige maand is hij in elk geval de auteur van het vermakelijkste ambtenarenboek sinds A. Alberts’ Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986).

De held van het verhaal heet ook Joost Heldeman en hij is een wat oudere beambte op middenniveau van een niet nader genoemd, middelgroot departement. Deze Heldeman wordt uit zijn routines gewekt door het telefoontje van een vrouw die per abuis als overleden is geadministreerd. Heldeman zegt toe haar te redden, maar strandt al kort nadat hij begonnen is.

Tot dan lijkt Het geheim van Den Haag, dat ook slapstickscènes met topoverleggen en toiletten bevat, alle reguliere clichés van het ambtenarenbestaan te volgen: een brij aan regels en regeltjes, personeel dat het afschuiven van verantwoordelijkheden als het hoogste goed ziet. Maar het gif van Heldeman zit elders: in zijn beschrijving van de neiging om het apparaat doorlopend te veranderen en te herstructureren. Dat wordt ten volle duidelijk wanneer de hoofdpersoon opdracht krijgt een commissie voor te zitten die als doel heeft het hele departement te moderniseren, ‘op de schop te nemen’ en wellicht ook ‘te kantelen’.

De commissie gaat aan de slag met een voortvarendheid die bepaald onambtenaresk aandoet: binnen een paar weken kan Heldeman de resultaten opsommen: ‘We hadden inmiddels een naam en een logo, we hadden een pakket van eisen geformuleerd waaraan het project moest voldoen, we hadden relevante arena’s en stakeholders in kaart gebracht. En waren volop bezig met het opstellen van een projectbeschrijving en een projectplan.’ Waar echter nog met geen woord is gesproken, is de inhoud van het project. Wát er eigenlijk zou moeten gebeuren (en waarom) krijgt geen seconde aandacht. Het panische enthousiasme waarmee alle ambtenaren zich vastbijten in de buitenkant geeft Het geheim van Den Haag een absurdisme dat vermoedelijk alleen door de realiteit overtroffen wordt.

Door alles doelbewust te herhalen – alle ambtelijke stukken in het boek beginnen met de constatering dat de maatschappij razendsnel verandert – buit Heldeman het komisch potentieel van zijn materiaal volop uit en raak je in een stemming waarin alles grappig wordt. Oók de niet van echt te onderscheiden krantenstukken en beleidsdocumenten.

En daarna word je behoorlijk neerslachtig. Want het beeld van een public servant die zich bezig houdt – zich bezig moet houden – met oppervlakkig getut, procesbeschrijvingen en communicatieplannen is toch eigenlijk meer om te huilen dan om te lachen. Nergens komen de beambten in Het geheim van Den Haag aan iets nuttigs toe. Tegen het eind van het verhaal blijkt daar een soort kwade genius achter te zitten, wat trouwens niet het sterkste punt van het boek is. Maar dat is Heldeman aan het slot van deze fraaie absurdistische roman van harte vergeven.