Ik wilde met rust gelaten worden

Gerie Smit was in 2000 één van de slachtoffers van de brand in café ’t Hemeltje.

Zij schreef een boek omdat zij boos is dat zij toen als kind werd behandeld.

Meesen, Mieke

31 december 2000. Gerie Smit is 15 en verliefd. Oudejaarsavond viert ze met vriendinnen in café ’t Gat, in Volendam. Daar kun je voor honderd gulden tot middernacht drinken. Vlak na twaalven sprint Gerie richting de Volendamse dijk. Haar ‘Jeroen’ – met wie het vanavond misschien eindelijk zoenen wordt – zit in café ’t Hemeltje. Ze vindt hem achterin de zaak, vlakbij de bar. Ze zoenen, en dan plotseling verlicht een steekvlam de kroeg. Een vuurbal rolt langs het plafond. Gerie duikt omlaag, haar gezicht in haar handen.

Nieuwe Handen heet het boek dat sinds twee weken in de winkel ligt. Gerie Smit, nu 24 en redacteur bij RTV Noord-Holland, beschrijft daarin de nieuwjaarsnacht van 2001. De brand die toen aan veertien jongeren het leven kostte, liet derdegraads brandwonden achter op haar handen, rug en benen.

In het boek gaat het vooral over de periode na de brand. Half januari ontwaakt ze uit een coma in het Amsterdamse VU-ziekenhuis. Twee maanden later mag ze naar huis. En al die tijd is Gerie vooral erg boos. Boos dat niemand haar vertelt wat er die nacht gebeurd is. Dat ze niet weet hoeveel doden er gevallen zijn. Boos omdat zij hier niet om gevraagd heeft. Omdat de fysiotherapeut stinkt. En ze is boos omdat vriendinnen haar ouders hebben verteld dat ze verliefd is op Jeroen.

En nu ben je nog steeds boos.

„Er wordt niet gekeken naar wat voor persoon je bent. Ik werd in het ziekenhuis gewoon glashard voorgelogen, en dat maakt me nog steeds wel boos ja. Ik mocht geen kranten lezen en geen tv kijken, daarvoor was ik nog te zwak vonden ze. Ik heb artsen geterroriseerd, ‘iedereen is dood hè‘, riep ik dan. Na lang zeuren vertelden mijn ouders dat er twee mensen waren omgekomen. En ondertussen zaten ze de hele tijd huilend aan mijn bed, dramatisch. Ik dacht dat moet veel erger zijn. Ik kende die twee slachtoffers niet eens. En het was ook veel erger. Maar zij vonden dat ik de waarheid nog niet aankon. Je wordt behandeld als een klein kind.”

Een gevoel van onmacht?

„Ik denk het. Later was er wel een gevoel van schaamte. Ik had er nooit bij stilgestaan hoe moeilijk het is geweest voor Roos [een vriendin die net op tijd uit het café vertrokken was]. Terwijl ik sliep had zij veertien mensen begraven. Soms wel twee op een dag. Ik was egoïstisch op dat moment. Logisch, ik was bezig om te overleven.”

In het boek komt dat besef nauwelijks voor. Het lijkt wel of je bijna niets voelt.

„Nee. Derdegraads brandwonden hè. Mijn gevoel is verbrand.”

Je maakt een grap.

„Ja, nou die brandwonden heb ik aanvankelijk echt niet gevoeld. Mijn zenuwen waren verbrand. Ik heb tot half acht ‘s ochtends met mijn verbrande rug tegen een muurtje gezeten. Ik zag alleen de vellen aan mijn handen, maar voelde verder niets. Gevoelens kwamen pas later weer terug. Het besef van wat er gebeurd was ook. Je ziet het verdriet in het dorp, de littekens die de brand heeft achtergelaten.”

Maar ben je nooit bang geweest?

„Alleen later. Die nacht zelf was echt niet zo traumatisch. Ik heb niets raars gezien. Voor mijn ouders was het veel enger, die hebben die periode veel bewuster meegemaakt. Ik heb twee keer op het randje van de dood gelegen. Ook nu ben ik niet bang. Een kampvuur vind ik gezellig, en met Oud en Nieuw sta ik achter de tap. Lekker geld verdienen.”

Je bent wel nuchter.

„Dat is Noord-Hollands.”

Dat was je altijd al?

„Ja. Alleen vlak na de brand heb ik momenten gehad dat ik niet meer wilde. Alles zat tegen. Ik had open wonden, mocht niet naar school. Als het zo moest, hoefde het van mij niet meer. Maar als ik mijn ouders nu moet geloven ben ik weinig veranderd. Misschien wat sneller zelfstandig geworden. Maar een vechter en een streber was ik altijd al.”

Ze lacht. „Ik kan alleen geen zangeres meer worden. Mijn stembanden zijn beschadigd, dat is het verschil.”

En je lijf dan, heb je daar last van?

„Ja, vooral in het begin. Twee keer per dag fysiotherapie, want ik kon niets zelf. Niet naar de wc, me niet aankleden. En ze hadden mijn haar eraf gehaald, het zal vol met de kerstversiering die naar beneden was gekomen. Ik had stekels, en ik was ondervoed. Maar nu heb ik er wel mee leren leven. Als ik een afspraak heb neem ik een vestje met lange mouwen mee. Maar op het strand lig ik topless. Ik schaam me niet. Als ik al preuts was heb ik dat in het ziekenhuis wel afgeleerd. Ik ben daar zo vaak aan en uitgekleed.”

Is wonen in Volendam gemakkelijker omdat ze hier weten wat er gebeurd is?

„Nee, ik wilde eerst juist weg hier. Iedere dag kwam er wel een brief van de Brandwonden Stichting. Er werd van alles georganiseerd. Er was zelfs een speciaal brandwondenklasje. Ik wilde dat niet. Ik wilde met rust gelaten worden. Pas toen ik ging studeren kwam ik uit de luchtbel slachtoffer van de Volendambrand.”

En toen kwamen ook de vragen.

„Ja, alhoewel, er kwamen meer vragen toen ik bij RTV begon. Er werken daar mensen die ook dienst hadden die nieuwjaarsnacht. Maar niemand die weet wat is daarna allemaal is gebeurd. Met open mond zaten ze te luisteren. Ze hebben geen idee wat er daarna nog allemaal op je afkomt.”

Bijvoorbeeld in het ziekenhuis. Een zuster daar noemt je diva.

„Ik heb mezelf niet gespaard in het boek, nee. Ik was ook een beest, dat besef ik achteraf wel. Ik belde de zuster om mijn dekens recht te leggen. En vijf minuten later belde ik weer, of ze wilde zappen tijdens de reclame. Mijn zus noemde me in die tijd ‘the exorcist’. Toen ik thuis vertelde dat ik een boek ging schrijven, was mijn moeders eerste reactie: schrijf je dan ook op hoe verschrikkelijk je was?”

Schaam je je daarvoor?

„Nee. Ik was gewoon een puber die de feiten wilde weten. En ik was boos, ik had hier niet om gevraagd. Ik heb toen wel dingen van me afgeschreven. Bijvoorbeeld toen ik op de begraafplaats een vrouw tegenkwam die naar me riep dat ik blij moest zijn dat ik nog leefde. Woedend was ik. Ook op de traumapsycholoog. Zij liet me foto’s zien die tijdens de operaties waren gemaakt. Volgens haar stopte ik emoties weg. Ik heb haar uitgescholden en ben weggelopen. Mijn moeder was razend, zo had ze me niet opgevoed. Ik heb dat allemaal opgeschreven. Om mijn gelijk te halen. Voor mezelf.”

Was dat de reden voor het boek?

„Ik zie het wel als een soort rechtvaardiging. Iedereen vraagt naar mijn brandwonden maar het ergste kwam pas daarna. Dat je als een klein kind wordt behandeld. Ik wil maar zeggen: maak die fout niet nog eens. Niet iedereen heeft iets aan dezelfde behandeling. Ik wil de feiten weten, zo zit ik in elkaar, alleen dan kan ik iets een plek geven.”

Niet door je gevoelens te delen?

„Jawel, dat doe ik met mijn vrienden en met mijn ouders. Met hen kan ik er goed over praten. Maar niet voortdurend. Ik race door het leven, waarom zou ik er te lang bij stil blijven staan? Ik ben een vechter. Altijd al geweest.”

    • Lineke Nieber