Gecontroleerde ondeugendheid

‘Top Secret’ is een sleutelwerk in het oeuvre van de Bulgaarse kunstenaar Nedko Solakov. Hierin onthult hij zijn ‘jeugdzonde’ – hij werkte als informant voor de Bulgaarse geheime dienst.

‘Voordat we verder praten wil ik dat je een aantal zaken weet over dit werk. Het is heel belangrijk dat je die goed opschrijft. Je moet je realiseren dat ik heel jong was, pas achttien, toen ik door de geheime dienst gerekruteerd werd. En dat ik op dat moment in het socialisme geloofde. Op een naïeve manier dacht ik dat ik mijn plicht deed als burger. Maar ik ben er uit eigen beweging ook weer mee opgehouden, lang voordat iemand ook maar aan perestrojka of de val van de Muur dacht.”

Het gesprek met de Bulgaarse kunstenaar Nedko Solakov (1957) is nog geen twee minuten bezig als hij zijn zin onderbreekt om me streng toe te spreken. „Ik sta erop dat je dit correct weergeeft”, zegt hij, en hij controleert nogmaals of mijn voicerecorder wel aan staat. „Het ligt allemaal heel gevoelig. En ik heb slechte ervaringen met interviews. Te vaak hebben journalisten clichés over mijn werk geschreven. Ze denken dat ze mijn werk kennen, maar ze snappen er niets van.”

We staan in een zaaltje van het Van Abbemuseum in Eindhoven, waar Solakov met diverse installaties is opgenomen in de nieuwe collectiepresentatie Play Van Abbe. In een vitrine staat zijn werk Top Secret (1989-1990) – twee houten kaartenbakken met daarin 179 handgeschreven kaartjes, foto’s en schetsen, gerangschikt van A tot Z. Samen doen ze in woord en beeld verslag van wat Solakov zijn ‘grote jeugdzonde’ noemt. Top Secret is één grote, moedige bekentenis. Hij biecht – naast een aantal seksuele escapades – op dat hij tussen 1976 en 1983 contacten heeft gehad met de Bulgaarse geheime dienst. Dat hij iedere vier tot zes weken verslag uitbracht over zijn medestudenten, aan een contactpersoon die hij ‘de knappe’ noemde.

De kaartjes in de linkerlade zijn opengevallen bij een oude, kartelig omlijste zwart-witfoto van een jonge knul met lang haar en een paraplu. „Dat was in de herfst van 1976”, vertelt Solakov, intussen een kalende vijftiger met een stoppelbaard. „Ik was op excursie naar Parijs, een weekje dat door mijn ouders betaald was. Op de derde of de vierde dag werd ik benaderd door de reisleider, die zei dat er voor mij en voor een oude professor die ook met onze groep reisde, pakketjes in het hotel waren afgeleverd. Dat was vreemd, want ik kende niemand in Parijs. In de envelop bleek propagandamateriaal te zitten, heel slechte kopietjes, gericht tegen de Sovjet-Unie. Ik heb die toen aan de reisleider gegeven, die onmiddellijk de Bulgaarse ambassade op de hoogte bracht.”

Solakov vertelt hoe hij ongeveer een maand later, weer terug in Sofia, werd aangesproken door een personeelsfunctionaris van de academie. „Die zei dat een kameraad met me wilde spreken. Hij vroeg me om in een pagina of twee te vertellen wat er in Parijs was gebeurd. Dat vond ik heel normaal. Vervolgens zei hij dat hij erg geïnteresseerd was in een van mijn medestudenten. Ik herinner me nog hoe trots ik me op dat moment voelde. Alsof ik een soort James Bond was. Echt! Ik heb het diezelfde middag nog aan mijn beste vriend en toenmalige vriendin verteld.”

Solakov maakte Top Secret tussen december 1989 en februari 1990 – eerder durfde hij er niet aan te beginnen uit angst te worden opgepakt. Toen het kunstwerk in april 1990 in Sofia geëxposeerd werd, waren de reacties in eerste instantie mild. Bevriende jonge kunstenaars begrepen Solakovs acties wel en schudden hem de hand. Zijn echtgenote, die hij in 1985 ontmoet had en die niets van zijn geheime verleden had geweten, vergaf hem. Maar toen Solakov een maand later gekozen werd als vicevoorzitter van de Bulgaarse kunstenaarsbond, leidde Top Secret opeens wel tot een publieke rel. De leden van de bond stelden scherpe vragen over zijn verleden en begonnen een smeercampagne. In Bulgarije was, zo vlak na de val van de Muur, de tijd nog niet rijp voor Solakovs bekentenis. En dus stapte hij uit de kunstenaarsbond.

Anders dan in bijvoorbeeld Duitsland zijn in Bulgarije de archieven uit de communistische tijd nog altijd gesloten. Ook dat is heel belangrijk om te beseffen, zegt Solakov, opnieuw met die strenge schoolmeesterblik. „Er zijn, tot de dag van vandaag, geen documenten bekend van mijn samenwerking met de geheime dienst.” Dan lacht hij even. „Er is alleen dit kunstwerk. Ik zou je kunnen zeggen dat ik alles verzonnen heb. Maar dat is niet zo.”

Hij denkt niet dat er mensen door zijn toedoen in de problemen zijn gekomen, zegt Solakov. „Er heeft zich nooit iemand gemeld die zegt te hebben geleden door wat Nedko Solakov heeft gedaan. Toch heb ik me er later schuldig over gevoeld. Nadat ik ‘Top Secret’ gemaakt had, voelde ik me vooral opgelucht. Een last viel van mijn schouders. Ik had het gevoel dat ik eindelijk kon doen wat ik zelf wilde. Daarna heb ik me volledig op het Westen gericht, en getracht daar mijn projecten gerealiseerd te krijgen.”

Top Secret, dat in 2007 op de Documenta in Kassel te zien was en onlangs door het Van Abbemuseum werd aangekocht, is een sleutelwerk gebleken in het oeuvre van Nedko Solakov. Sindsdien heeft hij met zijn conceptuele, vaak nogal humoristische installaties succes gehad in vooraanstaande kunstcentra als PS1 in New York, De Appel in Amsterdam en The Whitechapel Art Gallery in Londen. Er kon de afgelopen jaren geen biënnale georganiseerd worden of Solakovs naam prijkte op de deelnemerslijst. Hij toonde zijn werk in Istanbul, Saõ Paulo, Gwangju, Lyon, Sharjah, Tirana, Moskou, New Orleans en maar liefst vijf keer in Venetië, nog altijd de belangrijkste biënnale van het rijtje.

Zijn bijdrage aan de Biënnale van Venetië in 2001, een installatie getiteld A Life (Black & White), is inmiddels een klassieker. Solakov liet gedurende de hele biënnale – een periode van vijf maanden – een ruimte door twee mensen schilderen. De een rolde een muur wit, de ander volgde de eerste op de voet met zwarte verf. Kunstcritici prezen het kunstwerk als een „Malevitsj in motion” en zagen er een commentaar in op de oprukkende donkere videozaaltjes – van white cube naar black box. Maar Solakov zelf deed er minder gewichtig over. Zijn fraaie staaltje Sisyphusarbeid werd volgens hem in Bulgarije door iedere taxichauffeur begrepen.

Met de serie A (not so) White Cube, die Solakov vanaf 2001 in expositieruimtes over de hele wereld liet zien, ontpopte de kunstenaar zich helemaal tot publiekslieveling. A (not so) White Cube bestaat steeds uit niet meer dan de handgeschreven commentaren van Solakov in een verder lege tentoonstellingsruimte. Speurend naar oneffenheden in de vloeren, muren of plafond, laat hij als een graffitikunstenaar zijn sporen na. „Zelfs een white cube is nooit helemaal leeg”, zegt Solakov. „Er zijn altijd kleine foutjes, scheuren of stopcontacten, die mijn kleine verhaaltjes kunnen herbergen.”

De strenge Solakov blijkt de wereld met een kinderlijke blik en een rijke fantasie te beschouwen. Hij tekent kleine poppetjes bij een bruine vlek op het behang en schrijft er dan het commentaar ‘Mensen in een vervuild gebied’ bij. Of hij vermoedt dat er achter een klein spijkergaatje een muisje schuilt. Zijn toevoegingen, steeds geschreven in dat kenmerkende krabbelige handschrift, zijn lichtvoetig en speels, en soms zo grappig dat je hardop lachend door de verder lege zalen loopt.

En dan zijn er nog de tekeningen, die vaak schrijnend openhartig zijn. Zoals de serie 99 Fears, in haar geheel getoond op de Documenta in 2007, waarin Solakov toegeeft bang te zijn voor uiteenlopende zaken als vliegen, hardrockers met lang haar, aids („and I am not really screwing around”), duisternis, democratie en de keuze tussen ja en nee („That’s why smart people use maybe”). „Sommige oude angsten lijken intussen te zijn verdwenen”, schrijft hij op Fear #50, onder een silhouet van een mannetje met opgestoken duimen. „Toen ik jong was, was ik bijvoorbeeld bang dat mijn penis te klein was. Nu, met mijn enorme cv, is die specifieke angst verdwenen.”

Voor de tentoonstelling in het Van Abbemuseum is Solakov gevraagd ‘iets met de collectie te doen’. Hij koos voor de zaal met de schilderijen van El Lissitzky – „toch de juwelen van dit museum” – en leverde er zijn eigen, onnavolgbare commentaren bij. „Ik heb een stoeltje neergezet, de zaalteksten gelezen en daarop gereageerd”, zegt Solakov. „Ik bedenk nooit van tevoren wat ik ga doen. Ik ga naar binnen en begin gewoon. Het gaat mij om een gevoel dat ik in zo’n ruimte heb. Het is mijn spontane reactie op de omgeving, vergelijkbaar met hoe ik nu met jou sta te praten.”

Hij wijst naar vier kleine poppetjes die hij op de muur heeft getekend en leest grijnzend de woorden voor die hij erbij schreef: „A Suprematist, a Futurist, a Constructivist and a Sunday painter seen from a long distance.” Hij houdt ervan de draak te steken met zijn kunsthistorische collega’s, zegt hij. „Die Russen praatten echt in slogans. Daar word je een beetje naar van.” Bij een gewichtig citaat van El Lissitzky over de integratie van schilderkunst en architectuur tekende Solakov daarom een garnaaltje met de tekst „A little well-educated prawn knows what proun means.” En bij een ander citaat van Lissitzky, over de enorme mogelijkheden die de revolutie gebracht had, schreef de Bulgaar: „A naive thought once met a less naive one. They married and gave birth to a theory of utter importance.”

Een beetje lol trappen in het museum, zo omschrijft Solakov zijn interventies zelf. Hij is ondeugend, recalcitrant. En hij houdt ervan de bezoekers te pesten. In het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With, waar hij een van de deelnemers is aan de groepstentoonstelling Morality, plaatste hij een tekst vlak boven de vloer. Toeschouwers zijn zo gedwongen diep voorover te buigen, om vervolgens te lezen dat ze zo een ‘tik op de billen’ riskeren. „Het is soms inderdaad een beetje ondeugend”, beaamt Solakov. „Maar het gebeurt altijd met toestemming van het museum. Dus is het gecontroleerde ondeugendheid.”

Deze zomer streek Solakov de inwoners van Darmstadt tegen de haren in, door te besluiten niets te laten zien op het grote retrospectief dat museum Mathildenhöhe voor hem in petto had. De tentoonstelling, getiteld Emotions, was eerder dit jaar al te zien geweest in musea in Bonn en St. Gallen en zou doorreizen naar Darmstadt. Maar toen bedacht Solakov zich opeens dat hij er eigenlijk geen zin in had om zijn trucje weer te herhalen. Hij voelde zich, na al die solotentoonstellingen op rij, een beetje moe en verveeld.

Solakov: „De curator in Darmstadt had heel duidelijke ideeën over de opstelling. Zijn assistent had zelfs een prachtige maquette gemaakt, schaal 1:50. Toen ik in maart een bezoek bracht aan het museum, liep ik toevallig binnen bij de voorbereidingen van de tentoonstelling vóór mij, de blockbuster Masken. Die tentoonstelling, met veel Picasso’s en Rodins, was afkomstig uit Musée d’Orsay en zou doorreizen naar Kopenhagen. Ik raakte gefascineerd door de architectuur van de blockbuster, met die donkerrode en diepblauwe wanden, talloze vitrines, sokkels, spotlichten, wandteksten en multimediapresentaties. En dus riep ik tegen de curator: ‘Stuur die maskers maar door naar Kopenhagen, maar raak niets meer aan. Ik wil dat alles zo blijft als het is, inclusief de documentaires. Zelfs de posters bij de kassa laat je hangen.’

„Bij de ingang schreef ik een tekst waarin ik uitlegde dat ik al zoveel exposities had gemaakt. Dat het allemaal hartstikke leuk was geweest in Bonn en St. Gallen. Publiek blij, ik blij. Maar dat ik het nu wel een beetje zat was. De maquette van de assistent liet ik wel zien, zodat bezoekers een idee konden krijgen hoe het eruit had moeten zien. Maar de tentoonstelling zelf bleef in de kratten. Wel liet ik in het depot Top Secret zien, zogenaamd omdat het Van Abbemuseum daar als bruikleengever op had gestaan. Charles Esche, directeur van het Van Abbe, speelde het spel mee en had me een woedende brief gestuurd, die ik vervolgens weer had opgehangen. ‘Of u toont het werk, of u stuurt het terug naar ons museum’, stond daarin geschreven.”

De reacties van het publiek waren verdeeld, vertelt Solakov. „De tentoonstelling liet niemand koud. Sommige bezoekers zeiden dat het de beste show was die ze in jaren hadden gezien. Anderen eisten hun 8 euro entree terug. Er werden zelfs handtekeningen verzameld die naar de burgemeester werden gestuurd, met de eis dat de kratten open moesten. Heel grappig allemaal. In werkelijkheid was er natuurlijk heel veel te zien, want ik had op alle muren teksten en tekeningen achtergelaten. Maar het is net als met Pavlovs hond: als je zegt dat de tentoonstelling nog in kratten zit, denkt iedereen direct dat er geen expositie is.”

Geamuseerd vertelt de kunstenaar over een briefje van twintig dat hij op een sokkel had gelegd. „Op de opening was er een dame die het biljet had verruild voor twee tientjes. Ik ging toen een discussie met haar aan. Maar uw werk is zo speels, zei ze. Dat kan zijn, antwoordde ik, maar wel tot op zekere hoogte. U mag mijn werk becommentariëren, maar u mag het niet verwoesten.”

En dan, opeens, is hij weer de strenge kunstenaar uit het begin van ons gesprek. Want zo grappig en licht als zijn kunstwerken zijn, zo bloedserieus is Solakov als het om de randvoorwaarden gaat. Geïrriteerd vertelt hij hoe hij zich kan ergeren aan museummedewerkers die vlak voor de opening toch nog iets aan de opstelling veranderen. „Dan word ik dus echt kwaad”, zegt hij bars. „Als ik dit soort interventies doe, moet ik ook echt de laatste zijn die iets verandert. Er moet een bestaande, onveranderlijke situatie zijn. Wat heeft het voor zin als ik een klein mannetje naast een schilderij teken”, zegt hij zwaaiend met zijn armen naar een El Lissitzky, „als iemand anders er vervolgens weer een naambordje naast plakt?”

Play Van Abbe: Vreemd en vertrouwd. T/m maart 2010 in het Van Abbemuseum, Eindhoven, www.vanabbemuseum.nlNiet Normaal. T/m 7 maart in de Beurs van Berlage, Amsterdam, www.nietnormaal.nlMorality: Act II. T/m 7 febr in Witte de With, Rotterdam, www.wdw.nlInl: www.nedkosolakov.net

    • Sandra Smallenburg