Ganzen, ganzen, ganzen...

Tweewekelijkse rubriek over de natuur van Koos van Zomeren. Vandaag over de relatie lemmingen en rotganzen.

Zo lang als ik dit werk doe, zo lang is Bart Ebbinge er al voor vragen over ganzen. Hij is nu 60 en heeft besloten zich vrij te maken om, eindelijk, hét boek te schrijven over de rotgans – de kleinste, de elegantste, de avontuurlijkste van het stel.

Intussen maken we een fietstochtje bij huis: over de dijk van Wijk bij Duurstede naar Amerongen en aan de overkant terug. De wind is net naar oost gedraaid en jaagt vanaf de Utrechtse Heuvelrug geweldige luchten over het rivierengebied, ongetwijfeld met de bedoeling de boel eens goed schoon te vegen en een serieus begin te maken met de winter.

En daar liggen ze: al die weilanden die dankzij kunstmest de eeuwige jeugd lijken te hebben, al die gebotoxte weilanden, ideaal voor overwinterende ganzen. Kleine groepen, grote groepen, grauwe ganzen, kolganzen, hier en daar een rietgans, een brandgans. Rotganzen niet, rotganzen blijven aan de kust.

Zo aan de grond (grazend, dommelend, totaal niet schuw) maken ze een wat gezapige indruk. Maar bij het aanbreken van de dag en het vallen van de avond trekt dat allemaal heen weer tussen slaapplaatsen en foerageergebieden – duizenden gakkende of juichende ganzen boven je hoofd, dat is toch een enorme, voor je gevoel oer-Hollandse sensatie.

Hun aantallen nemen toe, ze arriveren steeds vroeger in het seizoen, ze verspreiden zich meer en meer over het land. Maar Bart verzet zich tegen het beeld dat de aanwezigheid van ganzen zo onderhand plaagachtige vormen heeft aangenomen. Alleen brandganzen zijn er waarschijnlijk meer dan ooit tevoren. Verder houdt hij het op een aanwas binnen natuurlijke grenzen, mogelijk geworden doordat tussen 1950 (in Nederland) en 1972 (in Denemarken) de plezierjacht op ganzen overal is afgeschaft. „Maar ik moet zeggen”, zegt hij, „dat ik in dit standpunt nogal alleen ben komen te staan.”

Zachte winters maken het leven voor ganzen makkelijker. Maar zachte winters doen het aantal overwinteraars in Nederland eerder af- dan toenemen; ze kunnen dan ook in Noord-Duitsland of Zuid-Zweden blijven. En uitgerekend voor rotganzen lijken zachte winters het leven per saldo moeilijker te maken.

Rotganzen broeden helemaal in het noorden van Siberië. Hun succes is afhankelijk van lemmingen. Als er genoeg lemmingen zijn, laten poolvossen, sneeuwuilen en middelste jagers de eieren en kuikens van rotganzen met rust. Een lemmingenpiek, eens in de drie jaar, betekende ook altijd een rotganzenpiek. Maar de lemmingencyclus is doorbroken. In de afgelopen jaren was alleen 2005 een piekjaar. Vermoedelijk zijn tegenwoordig daar in de Siberische winters momenten van dooi, waarna het smeltwater weer bevriest, lemmingen opgesloten raken onder het ijs en verhongeren. De rotganzenpopulatie vertoont onmiskenbaar krimp.

Fascinerend, de interacties tussen dieren in gebieden zonder directe bemoeienis van mensen. Bart is er sinds 1990 tien keer geweest, ’s zomers natuurlijk. Tien Siberische zomers, dat wordt wat, dat boek van hem.

    • Koos van Zomeren