Eer de fiets

Twee weken geleden heb ik hier voorgesteld dat als eerbetoon aan de Nederlandse mobiliteit op het Museumplein in Amsterdam een monument voor de fiets zal worden opgericht; een geweldige hoeveelheid afgedankte fietsen, kunstzinnig opgestapeld tot een toren van minstens een meter of twintig. Daarop heb ik veel e-mails gekregen (een stuk of tien) en een paar brieven. Daaruit blijkt dat ik niet de eerste ben die op dit idee is gekomen. Op de Dam, aan de kant van het Monument heeft een buitenlandse kunstenaar eens een paar stapeltjes fietsen neergezet. Op de foto ziet het er wat amateuristisch uit, en bovendien had deze vreemdeling de verkeerde plaats gekozen. Op de Dam is plaats voor één blijvend monument. Verder heb je er de levende standbeelden die iedere dag vanzelf weer weggaan en de gemeentereiniging ruimt de rest op.

Dan staat, of stond bij het station van Amersfoort een betrekkelijk hoog monument, een meter of vijf, van conisch op elkaar gestapelde fietsen. Ik vind het nog te ordelijk, te regelmatig. Het wezen van de fiets zoals die in Nederland wordt gebruikt, is anarchistisch, wars van orde. Hier is de fiets het allerslordigst behandelde middel tot uitdrukking van de allerindividueelste motoriek. Dit geheel zou dan op de allerpregnantste manier tot monumentale zichtbaarheid moeten worden gebracht. In Hengelo staat een constructie die beter aan deze verwachtingen beantwoordt, maar hier heeft de kunstenaar het te bescheiden aangepakt.

Mijn ideaal van het fietsmonument wordt het dichtst benaderd in de beschrijving die de in Frankrijk wonende Nederlandse kunstenaar Frans van Lier van zo’n sculptuur heeft gegeven. Hij had ergens in Normandië een expositie van door hem in Amsterdam gemaakte foto’s van decollages, kunstwerken die per ongeluk op muren, gemeentelijke elektriciteitskastjes en dergelijke openbare vlakken ontstaan. Er worden affiches opgeplakt, weer afgescheurd, er wordt overheen geplakt, enz. Het resultaat is een grillig, door de samenleving per ongeluk gemaakt kunstwerk. ‘Les visages déchirées d’Amsterdam’ heette deze expositie. De Franse galeriehouder vond de zaal nog wat leeg, vroeg of er misschien iets in drie dimensies bij kon, „iets met fietsen bijvoorbeeld”.

Van Lier vroeg de inventieve, kosmopolitische, aan oudroest verslaafde Theo Niermeijer (1940-2005) of hij iets kon verzinnen. Zeker. Ze gingen in beraad. Het resultaat was dat ze een uit de gracht opgedregde fiets en een sculptuur van aan elkaar gelaste onderdelen van fietsen – sturen, trappers, kettingen, bagagedragers, spatborden – hebben neergezet. Alles uit „de onderwereld van de luxemaatschappij” zoals Van Lier het uitdrukt. „Amsterdamser kon ik het voor de Fransen niet maken.”

Zo hoor je het eens van iemand anders. Door deze voorbeelden voel ik me aangemoedigd in mijn kleine campagne tot oprichting van een Nationaal Fietsmonument. Overal ter wereld zie je monumenten, voorstellingen in drie dimensies, uit het leven gegrepen. Op de snelweg van het vliegveld naar het centrum van Moskou staat een paar gigantische Spaanse ruiters die aangeven dat de Duitsers niet verder dan daar zijn gekomen. In het Garment District in Manhattan zit een bronzen man achter een naaimachine; in de buurt van Wall Street een beursman met een laptop op zijn knieën. Waarom in Nederland dan niet een groot fietsmonument, ter ere van de gewone man, de geest van de natie, de democratie. De koningin fietst ook.

    • H.J.A. Hofland