Een huis als een muziekstuk

De Griekse componist Yannis Xenakis bouwde zoals hij componeerde: wars van alle regels en stijlen. Ook het vakantiehuis dat hij voor zijn Franse collega Mâche ontwierp, bestaat uit vorm en ritme. „Als je iets probeert te scheppen, ben je alleen.”

(ARCHIVES) Photo prise le 08 avril 1991 à Paris du compositeur français d'origine grecque Iannis Xenakis qui est décédé le 04 février 2001 à Paris, à l'âge de 78 ans, des suites d'une longue maladie. Mathématicien, architecte et musicien de formation, il avait étudié la composition avec Honnegger, Milhaud et Messiaen, il fait appel à l'électro-acoustique et à l'ordinateur. Il était le mari de l'écrivain Françoise Xenakis. AFP PHOTO JEAN-LOUP GAUTRAU AFP

De weg krult zich om de ene bergrug na de andere; afwisselend zien we de met stenen bezaaide hellingen en het eindeloze blauw van de zee. Panayotis is vertrouwd met de bochten, zijn bijenkasten staan verspreid over het hele eiland. Jaren geleden was hij documentairemaker, maar het hectische, opgefokte leven in Athene was hij zat. Hij trok zich terug op Amorgos, een ruige bergketen die ergens tussen Griekenland en Turkije als een ruggengraat uit de zee steekt. Sindsdien houdt hij bijen en schildert hij – zelf toevallig ook bedeeld met het intense gelaat van een icoon – met bijenwas kopieën van iconen en dodenmaskers voor Griekse musea.

Zijn keuze geeft te denken, en niet alleen omdat we ongeveer even oud zijn. Ooit keerde ook ik de maatschappij de rug toe, zoals dat heet, en begon met schrijven. Helemaal lekker heeft die stap uit de advocatuur me nooit gezeten; nog altijd hoor ik op de achtergrond een koor van vluchtelingen, kampers en junks jammeren dat ik hen in de stront heb laten zitten. In dat koor onderscheid ik sinds enige tijd ook de stem van hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Thomas Vaessens, die schrijvers maant weer mee te doen en maatschappelijke vraagstukken in hun romans te verwerken.

Dat standpunt is in feite achterhaald – je struikelt tegenwoordig over romans met actuele thema’s, je snakt langzamerhand naar romans die zich afzijdig houden van straatrumoer – maar zijn stem is niet de enige die opklinkt. Van alle kanten wordt, vaak op smalende toon, van schrijvers, kunstenaars en componisten geëist dat ze hun elitaire positie opgeven en zich naar de wereld toedraaien, maatschappelijk relevant werk maken, bedrijfsplannen opstellen, doelgroepen paaien. Alsof een al veel te lang openstaande schuld moet worden ingelost, alsof boete moet worden gedaan voor hun hoogmoed.

Verfomfaaide geiten kijken ons vanaf rotsblokken na, de weg duikt omlaag, een dal in, naar een dorpje en een strand, kruipt dan hobbelig en onverhard weer omhoog. Panayotis rijdt me naar het vakantiehuis dat de acht jaar geleden overleden componist Yannis Xenakis ontwierp voor zijn Franse collega François-Bernard Mâche. Mâche was aanvankelijk veel bekender dan de radicale, eenzelvige Xenakis, en naar verluidt is hij geneigd nogal korzelig te reageren als hem weer eens naar zijn vakantiehuis wordt gevraagd, en niet naar zijn eigen muziek. Maar hij heeft dat over zichzelf afgeroepen, hij is zelf gaan wonen in een huis dat zoveel als een muziekstuk is.

Voor Xenakis waren architectuur en muziek verwant. Als muziek bestond ook architectuur uit vorm en ritme, uit abrupte en vloeiende overgangen. Of die vergelijking hout snijdt, durft Panayotis niet te zeggen. Maar dat het huis ontworpen is door een componist, kun je in ieder geval aan de raamopeningen zien: lichtsleuven die op middeleeuwse muzieknotaties lijken. Over die sleuven is het laatste woord overigens nog niet gezegd, volgens de schilderende imker doen nog andere speculaties de ronde. Ze zouden sterrenconstellaties weergeven, wiskundige formules, een spel spelen met de letter F van François, of op geraffineerde wijze vanuit alle hoeken in het huis uitzicht bieden op de zee.

Xenakis was niet bepaald een componist die maatschappelijk thema’s oppakte, geëngageerde opera’s schreef of door de knieën ging voor wat publiek het liefste wilde horen. Geen muziek abstracter, onwereldser dan zijn muziek. Met behulp van wiskundige modellen, computers en toevalsgetallen schiep hij ongekende klankruimtes, verbijsterende klankexplosies. Noch artistieke verbeelding, noch compositorische technieken hadden die klanken en ritmes weten te genereren – wat hij liet horen, was nooit eerder gehoord.

Tonaliteit, romantiek, seriële muziek beklemden hem, hij wilde zich bevrijden van welke muzikale conditionering dan ook, zijn composities moesten de beperkingen van stijl overstijgen en universeel zijn. Ze moesten spreken van vormen die in álle muziek terug te vinden waren, in alle kunsten, in de wiskunde, natuurkunde, biologie, paleontologie en astrologie.

Toch was hij verre van wereldvreemd. De politiek had diepe sporen in zijn leven getrokken, zoveel dieper dan in de voorbeeldige levens van alle Vaessens, Lawsons en Plasterks bij elkaar. Dat Xenakis na de dood van zijn moeder met zijn Grieks-Roemeense vader van Roemenië naar Griekenland verhuisde en als jochie met een vreemd accent op een internaat werd geplaatst, kan nog onder het kopje ‘persoonlijk’ worden geplaatst. Maar dat hij zich tijdens zijn bouwtechnische studie in Athene bij het studentenverzet voegde en als communist en antimonarchist vooropliep bij demonstraties tegen achtereenvolgens de Italianen, Duitsers en Engelsen, wees op grote politieke betrokkenheid. Ook de granaatscherf die zijn linker kaakhelft verbrijzelde, zijn gehoor beschadigde en zijn linkeroog vernietigde, en de doodstraf die hij na zijn vlucht naar Parijs bij verstek kreeg opgelegd, waren het directe gevolg van zijn politieke activisme.

Zijn ervaringen met oorlogsgeweld leidden niet tot verwerking van politieke vraagstukken in zijn composities. Zij resulteerden juist in het tegendeel: een streven om via abstractie met alle maatschappelijke en culturele tegenstellingen af te rekenen. In een interview vertelde hij hoe zijn oorlogservaringen in hem doorwerkten: ‘Jarenlang werd ik door schuld gekweld omdat ik mijn land verlaten had. Ik had mijn vrienden verlaten – sommigen zaten in de gevangenis, anderen waren dood, enkelen hadden weten te ontsnappen. Ik voelde dat ik bij hen in het krijt stond, ik voelde dat ik een missie te vervullen had, ik moest iets belangrijks doen om mijn leven te herkrijgen. Het ging niet zozeer om muziek – het was gewichtiger. En dus cirkelden mijn gedachten om meer algemene, universele problemen. Ik raakte ervan overtuigd dat universaliteit niet te bereiken viel door religie, traditie of emotie, maar alleen door wetenschap. Door wetenschappelijk denken.’

Architectuur interesseerde Xenakis aanvankelijk niet, alleen muziek. Maar hij moest zich als balling in Parijs in leven houden en hoopte als ingenieur werk te vinden op een architectenbureau. Hij belandde min of meer toevallig op het bureau van Le Corbusier. De grote modernist wist hem enthousiast te maken voor architectuur. ‘Corbu’ hanteerde bij zijn ontwerpen de modulor, een maatvoering gerelateerd aan het menselijk lichaam en de gulden snede. Het was deze wiskundige benadering die Xenakis aansprak en hem bewust deed worden van de affiniteit tussen muziek en architectuur.

Hij moest de draagkracht van constructies beoordelen, maar als een ontwerp hem niet beviel, riep hij: ‘Onmogelijk’, en stelde een oplossing voor die hem interessanter voorkwam. Le Corbusier herkende zijn talent en al snel mocht hij ontwerpen. Zijn eerste opdracht was het dominicaner convent La Tourette. Le Corbusier zorgde voor de algehele vorm, Xenakis was verantwoordelijk voor het interieur, de detaillering. De ‘lichtkanonnen’ op het dak waren zijn vondst; twee maal per jaar scheen de zon recht naar binnen. Ramen had het klooster niet, wel doorlopende glazen stroken. De spijlen plaatste hij op verschillende afstand, dicht opeen of met groter wordende tussenruimte, als een ritmisch patroon.

Het eerste gebouw dat Xenakis helemaal zélf ontwierp, was het Philips Paviljoen voor de Brusselse Wereldtentoonstelling in 1958. Daarin realiseerde hij wat hij ook in zijn eerste orkestwerk, Metastaseis, had onderzocht: de vloeiende verbinding tussen twee punten van ongelijke hoogte. In Metastaseis (1953-54) was de oplossing het glissando, in het Philips Paviljoen de hyperbole paraboloïde. Wat zich in het muziekstuk voltrok in tijd, kreeg in het paviljoen gestalte in ruimte. Later claimde Le Corbusier het ontwerp; Xenakis was woest en brak met hem.

Xenakis kreeg steeds meer erkenning als componist. Hij zou alleen nog een paar vakantiehuizen ontwerpen. Voor zichzelf op Corsica, en voor François-Bernard Mâche op Amorgos. Het liep zoals het liep, als het aan hem had gelegen was hij intensiever blijven ontwerpen. Hij beschouwde zichzelf inmiddels evenzeer architect als componist.

De auto stopt bij een hek. Een baai en tegen de flank van de berg wat de vakantiewoning van Mâche moet zijn. Het is alsof er reusachtige verfvlekken zijn gemorst: een viertal ongelijk gevormde platte daken.

Tussen doornstruiken dalen we over een smal, stoffig paadje af. Panayotis gaat voorop, hij zal ons bij Mâche introduceren. Maar van organisatie is vanzelfsprekend geen sprake, en ik ben dan ook niet echt verbaasd als er niemand aanwezig blijkt te zijn. Het is ook wel goed zo; Xenakis is er niet meer en het door hem ontworpen huis is gesloten. Zowel zijn dode lichaam als het dichte huis zijn op te vatten als <een crypte die we alleen nog met onze verbeelding kunnen openbreken, door er zelf een verhaal van te maken.

Ik sluip er omheen, misschien niet zo netjes, maar ik ben zover gekomen en wil het befaamde huis van de architect-componist nu ook zien. Bovendien is Panayotis een vriend van Mâche, nou ja, op de Griekse manier dan, begrijp ik inmiddels. De lichtsleuven vallen meteen op. Hoekige patronen die als runen in de gevels zijn gekerfd om iets duidelijk te maken, een waarheid te verkondigen. Muzieknotaties, wiskundige patronen, geabstraheerde sterrenconstellaties – ik zou het niet weten, ik geloof ook niet dat het er toe doet, de suggestie van een verborgen betekenis is al genoeg. Het is op dit eiland ook veel te heet voor grote ramen, glazen wanden.

De vier gebouwtjes liggen losjes op een rij. Ze zijn cilindrisch, maar dan vervormd, en doen eerder archaïsch dan modern aan. De afgeronde vormen lijken ontleend aan de Cycladische huizenbouw. Maar dat was niet wat Xenakis had beziggehouden. Het vakantiehuis had hij ook vanuit Parijs ontworpen, op basis van foto’s van de baai. Griekenland kon hij pas tien jaar later in, toen het huis al af was en het kolonelsregime ten einde; hij was verrast toen hij de gelijkenis met de plaatselijke bouwstijl opmerkte.

Misschien waren de vormen voor hem als de klankeilanden in zijn muziek, misschien ook valt er de echo in te zien van ronde bergruggen die afglijden naar de zee. Die interpretaties sluiten elkaar niet uit. Hij zocht naar vormgelijkenissen in de natuur en de muziek, hij zag ze, hoorde ze, leefde ze. Zoals wanneer hij van eiland naar eiland peddelde in zijn kajak, vaak dagenlang, en opging in het golven van de zee, in het geluid van wind en water. Ook de zee en de wind keerden als klankpatronen terug in zijn composities.

Als ik om het huis loop, zie ik zijn kajak omgekeerd tussen de struiken liggen. Een spierbundel, van een kuit, een dij. Onberoerd sinds Xenakis er niet meer is, zo lijkt het. Geen indringender getuigenis van zijn voorbije leven dan die omgekeerde kajak. Componeren, ontwerpen was voor hem geen gezelschapspel, maar een solitaire zoektocht naar de essentie van de vormen die ons omringen. ‘Wat je als componist doet, gaat alleen jou aan. De samenleving moet daar buiten blijven staan. Als je iets probeert te scheppen, ben je alleen. Een vonkje in het oneindige zwart van het universum. Dat is alles. Je bent alleen.’

Een houding die zich makkelijk als elitair en onverantwoord laat wegzetten. Maar wie zijn muziek hoort, zijn architectuur ziet, weet dat hij gelijk heeft. Er is uiteindelijk geen andere bestaansgrond voor kunst dan voorbij het maatschappelijke gekrakeel het leven in zijn naakte grondvorm en betekenisloosheid weer zichtbaar, hoorbaar en voelbaar te maken.

Terug in Nederland beluister ik op YouTube nog eens Xenakis’ orkeststuk Metastaseis; op het filmpje zie ik het verglijden van de grafische patronen die de compositie volgt. Klimmende en dalende lijnen van glissando’s komen samen in een bundel van horizontale lijnen, en er klinkt een heftige, pulserende klankmassa, die ineens uiteenvalt in losse, verloren klanken. Wiskunde, zeker, elk lid van het orkest als een formule. Maar – zoals Xenakis zich pas jaren later realiseerde – evenzeer het residu van wat zich als herinnering aan de demonstraties tegen de nazi’s aan hem opdrong: de massieve klank van het marcheren en scanderen, en het in chaos uiteenvallen van de demonstratie toen de eerste schoten klonken. Het politieke geweld verdampt, het engagement vervlogen, en de muziek die godzijdank het laatste woord heeft – dat mag, na alle ontberingen, pas een overwinning heten.

Music and architecture, by Iannis Xenakis and Sharon Kanach, Pendragon Press, Hillsdale, New York, 2008