De mensheid is in wezen mensenwerk

Het begrip ‘mensheid’ is niet van hogerhand opgelegd, maar een uitvinding.

Handig om daar meer rekening mee te houden bij discussies rondom integratie.

Nederlanders, Britten en naar verluidt zelfs Fransen hebben het moeilijk met hun culturele identiteit. Hier tobben we er al acht jaar mee, in Frankrijk is zojuist een modderdebat over identité uitgebroken – ook weer, onvermijdelijk, vermengd met handenwringen over de plaats van moslims in de Republiek. In al die debatten, waarin cultuurverschillen afwisselend worden opgeblazen en gebagatelliseerd, rijzen vragen over cultuur en eigenheid – wat is er universeel aan ons, en wat uniek? Waarom willen we minderheden graag erkennen als onze gelijken, op grond van een abstract Verlichtingsdenken, maar maken we bezwaar tegen manifestaties van hun aanwezigheid?

Voor wie meer wil begrijpen van die merkwaardige dialectiek, is De uitvinding van de mensheid, het nieuwe boek van Siep Stuurman, onmisbaar. Stuurman, hoogleraar Europese geschiedenis in Rotterdam, levert met dit breed uitwaaierende, maar tegelijk geconcentreerde betoog over de ontwikkeling van het begrip ‘mensheid’ een bijdrage aan het denken over gelijkheid en verschil die de dagkoersen van het oververhitte integratiedebat overstijgt.

Al op de eerste pagina’s maakt Stuurman duidelijk waar het hem om gaat: niet om een geschiedenis van ‘de menselijke soort’, maar om die van het begrip ‘mensheid’. Het eerste is een biologische categorie, het tweede duidt op de erkenning dat mensen elkaars gelijken zijn, in die zin dat zij behoren tot eenzelfde, zij het niet eenvormige morele gemeenschap. Dat begrip is niet van hogerhand (god, natuur) ‘gegeven’, maar wordt ‘uitgevonden’. Het is een nieuw, groeiend inzicht dat in de loop van de geschiedenis wordt ontwikkeld, betoogt Stuurman. De mensheid is mensenwerk, onder telkens wisselende historische omstandigheden.

Nadrukkelijk kiest Stuurman voor een mondiaal perspectief, met uitvoerige beschouwingen over de drie monotheïstische religies maar ook over het boeddhisme en confucianisme. Hij sluit daarmee aan bij auteurs als William McNeill, die de ontwikkeling van de mensheid op mondiale schaal analyseren als een proces van multiculturele interacties met vele ‘kernen’, en niet langer als een lineair, door Europa aangestuurd project, waarin de rest van de mensheid ‘volgt’, zoals in de 20ste eeuw nog gebruikelijk was.

In de historische ontwikkeling van het begrip ‘mensheid’ onderscheidt Stuurman enkele cruciale fasen. Allereerst is er de beroemde ‘spiltijd’, de periode vanaf ruwweg 800 voor Christus, toen van China tot het klassieke Griekenland het denken in tribale verbanden werd doorbroken en de aanzet werd gegeven voor een algemeen besef van menselijkheid. In de drie grote monotheïstische religies, de islam, het christendom en jodendom, gelden alle mensen als gelijken in zoverre ze allen schepselen Gods zijn. Ook in confucianisme en boeddhisme worden de contouren van die ‘mensheid’ zichtbaar. De tweede grote fase komt vele eeuwen later, met de Verlichting, en het 18de-eeuwse idee dat alle mensen geboren worden als gelijken, met dezelfde vermogens en rechten. Politieke revoluties volgden.

Met een scherp oog voor de dialectiek van historische ontwikkelingen geeft Stuurman meteen de keerzijde aan van die twee grote omwentelingen in het gelijkheidsdenken. Ze produceren niet alleen een nieuw ‘gelijkheidsdiscours’, maar ook een nieuw ‘ongelijkheidsdiscours’. Christendom, jodendom en islam beschouwen iedereen als een schepsel Gods, maar slaan tegelijkertijd een nieuwe kloof, tussen gelovige en ongelovige. De Verlichting erkent de redelijkheid van alle mensen, maar schept ook een nieuwe dichotomie tussen ‘verlichten’ en ‘achterlijken’, en legt de basis voor een wetenschappelijk racisme dat een groot deel van de etnografie in de 19de eeuw zal domineren.

Ook later, als we in de 20ste eeuw zijn beland, weet Stuurman de grote lijnen die hij trekt te combineren met aandacht voor concrete controversen. Zo geeft hij een verhelderende uiteenzetting over de wording van de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens na de Tweede Wereldoorlog. In de formulering van dit ‘globale egalitarisme’ speelden niet-westerse naties en denkers een grote rol, zoals de confuciaanse filosoof Peng Chun Chang, de Chinese vertegenwoordiger in de mensenrechtencommissie van de VN. Daarmee brengt Stuurman een broodnodige correctie aan op het beeld dat de mensenrechten, zo niet in het Westen uitgevonden, dan toch op zijn minst volledig op aanwijzing van het Westen geformuleerd zijn.

Stuurman polemiseert overigens niet of nauwelijks, al is zijn boek in feite één lange, impliciete correctie op de sjablonen die in het debat rond multiculturalisme over en weer vliegen. De uitvinding van de mensheid leest bovendien zo soepel, dat de geschiedenis harmonieuzer aan je voorbijtrekt dan het relaas zelf beweert.

Stuurman eindigt zijn boek voorzichtig optimistisch, maar hij is zich bewust van de wervingskracht van het ongelijkheidsdiscours en houdt de opties open. Het is aan de mensheid om zichzelf verder te definiëren, en de uitkomst daarvan staat niet bij voorbaat vast.

Wel knaagt er bij de lezer soms een materialistische twijfel. Stuurman besteedt veel aandacht aan de botsing tussen culturen, maar gaat betrekkelijk summier in op de sociale, economische en technologische krachten die zulke botsingen óók voortstuwen. In hoeverre hangt het gelijkheidsidee samen met die ‘onderbouw’? En: convergeert de mensheid naar dezelfde waarden in postindustriële samenlevingen, zoals Ronald Inglehart beweert?

Dat zijn vragen die door dit boek alleen maar pregnanter worden. ‘Cultuur’ en ‘ideeën’ worden tegenwoordig alom weer beschouwd als drijvende krachten in de geschiedenis. Dat zijn ze ook – niet eendimensionaal en lineair, maar dynamisch en ambivalent. Dat maakt Stuurman zonneklaar in dit majestueuze boek – en dat is geen geringe prestatie.