De euro in een testfase

Op de internationale valutamarkt woedt op dit moment een schoonheidswedstrijd die zelfs de meest gehaaide televisieproducent niet had kunnen verzinnen: het lijkt er niet om te gaan wie de mooiste is, maar wie de lelijkste. Nadat de Amerikaanse dollar de afgelopen maanden hoge ogen gooide in de race naar de bodem, lijken de kansen nu in Europees voordeel gekeerd. De euro zakte de afgelopen twee weken van meer dan 1,50 dollar per euro naar 1,43 dollar, waarbij de val de afgelopen dagen flink versnelde.

De verzwakkende euro is op het eerste gezicht een klein geschenk. De meeste economische indicatoren wijzen weer aarzelend omhoog. Dat werd vanmorgen onderstreept door een gunstige Duitse Ifo-index voor de economische activiteit, die doorgaans een betrouwbare voorspeller is.

Maar Europa had in de loop van dit jaar te maken met een steeds stijgende euro ten aanzien van de dollar. Omdat veel andere belangrijke valuta’s, met name in Azië, formeel of informeel aan de dollar gekoppeld zijn, moest de Europese industrie een verslechtering van zijn internationale concurrentiepositie incasseren. Een wat zwakkere euro geeft, zo lang als het duurt, weer wat lucht.

De daling van de euro lijkt echter niet zo zeer toe te schrijven aan de plotselinge aantrekkelijkheid van haar Amerikaanse tegenhanger, maar aan een interne problematiek die door Griekenland op de kaart is gezet. De eurozone gaat een lastige tijd tegemoet. Griekenland is niet de enige deelnemer die het zwaar krijgt.

De euro heeft veel voordelen, maar vergt wel stevig macroeconomisch beleid. Devalueren, een traditioneel middel voor landen die zichzelf in de problemen brengen, met een te hoge inflatie, te sterk stijgende loonkosten of weinig begrotingsdiscipline, kan door de Europese munt niet meer.

Niet alleen Griekenland zal moeten ingrijpen, hetzelfde geldt voor landen als Italië, Spanje en Ierland. De snelle pil van de devaluatie is vervangen door een langdurige kuur van hervormingen. Dat vergt tijd, en in de tussentijd is het zaak het vertrouwen van de buitenwereld niet te verliezen.

Die buitenwereld heeft een gezicht: overheden zijn afhankelijk van de kapitaalmarkt om hun schulden te financieren. Oude schuld loopt af, en moet worden vervangen, en de forse begrotingstekorten moeten met nieuwe schulden worden aangezuiverd. In 2010 moeten de landen van de eurozone voor vele honderden miljarden aan kapitaal aantrekken. De markt heeft de afgelopen weken laten zien de bokken van de schapen te willen scheiden. Het stevige, betrouwbare Duitsland blijft een lage rente op zijn staatsschuld betalen, maar hoe wankeler de andere eurolanden, hoe groter hun renteverschil met Duitsland wordt. Of gaan zij er impliciet vanuit dat Duitsland toch wel te hulp schiet?

De plotselinge verzwakking van de euro gaf deze week aan dat de financiële markten er niet helemaal op vertrouwen dat Duitsland zich niet laat meetrekken in deze misère. Een pijnlijke waarschuwing, maar onwelkom is zij niet.