Brits Irak-onderzoek tandeloos

Halverwege de hoorzitting-en heeft de Britse commis-sie die de inval van 2003 in Irak onderzoekt nog geen bewijzen dat ex-premier Blair feiten manipuleerde.

Floris van Straaten

Het was tekenend dat het meest opzienbarende nieuws van de laatste weken over de oorlog in Irak niet afkomstig was uit het Londense congrescentrum, waar een commissie de inval van 2003 en zijn nasleep onderzoekt aan de hand van hoorzittingen met betrokkenen. Dat kwam van oud-premier Tony Blair, die in een interview met de BBC zondag verklaarde dat hij een inval in Irak ook zou hebben gesteund zonder de vermeende dreiging van massavernietigingswapens.

Het sterkte veel Britten in hun opvatting dat Blair tot elke prijs aan de zijde van de Amerikanen Irak zou zijn binnengevallen en dat de Iraakse massavernietigingswapens slechts als een excuus dienden. Blair zelf getuigt pas na het kerstreces voor de commissie, die wordt geleid door de voormalige topambtenaar Sir John Chilcot.

Harde bewijzen dat de oud-premier in de aanloop naar de oorlog de feiten bewust heeft gemanipuleerd – nog altijd de meest omstreden kwestie van de hele episode – hebben de hoorzittingen van 38 hoge (ex-)ambtenaren en (ex-)militairen tot nu toe niet opgeleverd.

Dat wil niet zeggen dat Blairs medewerkers hem op alle fronten vrijpleitten. Sir John Scarlett, oud-hoofd van de Gezamenlijke Inlichtingencommissie en later van de inlichtingendienst MI6, legde uit dat het voorwoord tot een geruchtmakend rapport uit 2002 vrijwel integraal uit de koker van de premier kwam. Blair schreef daarin onder meer dat uit inlichtingen onomstotelijk was komen vast te staan dat Irak massavernietigingswapens bezat. Scarlett maakte duidelijk dat die opmerking voor rekening van de premier was, maar hij liet in het midden of hij er destijds bezwaar tegen had gemaakt.

In datzelfde rapport kwam ook een passage voor waarin werd gesteld dat de Iraakse leider Saddam Hussein desgewenst binnen 45 minuten massavernietigingswapens kon inzetten. Hieruit leidden velen af dat Irak omringende landen en mogelijk ook Britse bases op Cyprus kon treffen met ballistische raketten met vernietigende lading. Scarlett erkende tegenover de commissie dat hier „in de vertaling verloren was gegaan” dat het slechts om munitie op het slagveld ging, niet om raketten. Volgens hem was het rapport echter niet bewust aangedikt.

Tot veler verbazing vroeg de commissie niet door naar de bron van de opmerkelijke 45-minutenclaim. De Conservatieve parlementariër Adam Holloway beweerde onlangs te hebben vernomen dat die van een Iraakse taxichauffeur afkomstig was geweest, die er twee Iraakse officieren eens over had horen praten.

Het verhoor van Scarlett verliep in een aimabele sfeer, waarbij de ene Sir John de andere allerhoffelijkst behandelde. Het voedde de kritiek dat Chilcot en zijn collega’s onvoldoende doorbijten. Vaststaat dat de commissie nog geen enkele getuige zweetdruppeltjes heeft bezorgd. De sfeer bij de hoorzittingen doet eerder denken aan die in een bedaagde herenclub, zoals een Liberaal-Democratisch parlementslid klaagde.

Volgens veel commentatoren wordt een ervaren advocaat – gewend om scherp te ondervragen – node gemist. Chilcot en zijn vijf medeleden, onder wie twee gerenommeerde historici, stellen dat ze hun harde vragen bewaren voor de politici. Die komen na het kerstreces aan bod.

Pijnlijk voor Blair was ook dat Sir William Ehrman, op Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor defensie en inlichtingenkwesties, onthulde dat de regering een paar dagen voor de inval inlichtingen had ontvangen dat de chemische wapens van Saddam Hussein waren gedemonteerd. Blair en zijn ministers besloten dit rapport echter te negeren. Ehrman erkende overigens zelf eveneens verbaasd te zijn geweest dat er na de inval nergens massavernietigingswapens waren gevonden.

Kritiek kreeg Blair verder in bedekte termen van Sir Christopher Meyer, de voormalige ambassadeur in Washington. Die merkte op dat Blair al in april 2002, ruim voor de inval, voor het eerst de beladen term ‘regime change’ in de mond had genomen. Dat gebeurde direct na een onderhoud onder vier ogen met George Bush op diens ranch in Texas. Hij stelde dat Blair wel erg weinig had teruggekregen in ruil voor zijn steun aan Bush. Dat zou de Conservatieve premier Margaret Thatcher volgens hem beter hebben gedaan.

Meyer en vele anderen wezen er ook op dat de voorbereidingen voor de fase direct na de inval in Irak volstrekt te kort waren geschoten. Meyer sprak in dit verband van „een zwart gat”. Britse functionarissen hadden de Amerikanen wel op het hart gedrukt hieraan meer aandacht te schenken, maar zonder veel succes. Generaal Tim Cross, die als liaison in Washington werkte, drong er nog een paar dagen voor de inval bij Blair op aan om juist wegens het gebrek aan planning voor de naoorlogse periode de militaire operatie uit te stellen. Ook dit advies legde Blair naast zich neer.

De hoorzittingen van de afgelopen vier weken vormden slechts een voorspel, dat betrekkelijk weinig publieke belangstelling trok. Dat zal echter op slag veranderen als Blair in het getuigenbankje neerstrijkt. Ook een kleine zeven jaar na dato heeft de voormalige premier nog altijd een hoop uit te leggen aan zijn eigen volk.