Zuidelijke lidstaten ontdekken nadelen van Europese munt

Griekenland is een testcase voor de euro: hoe gaat de muntunie om met magere jaren?

De euro geeft en de euro neemt. Griekenland merkt nu dat het voeren van de gemeenschappelijke munt niet alleen voordelen met zich meebrengt.

Aanvankelijk leek de euro voor de financieel zwakkere landen van de EU een geschenk uit de hemel. Vóór de euro maakten ze relatief hoge inflatie en stijgende arbeidskosten van tijd tot tijd goed door een devaluatie van hun munt. Maar daardoor betaalden ze wel hoge rentes op de kapitaalmarkt: beleggers wilden het devaluatierisico begrijpelijkerwijze gecompenseerd zien.

Landen als Italië en Griekenland betaalden halverwege de jaren negentig een rente op hun staatsschuld die soms wel 6 procentpunten hoger lag dan die van het stevigste land van de EU, Duitsland.

Met de invoering van de euro in 1999 (Griekenland trad in 2001 toe) viel het valutarisico weg en daarmee werden de rentes fors lager. De financieringskosten van de staatsschuld, een majeure begrotingspost, daalde in sommige gevallen wel met de helft. De zuidelijke landen maakten een enorme bloei door dankzij de lage, ‘Duitse’ rente die ze opeens in schoot geworpen kregen. De uitwerking was overal anders. Italië en Griekenland wisten er hun structurele economische en budgettaire problemen, met name een gebrek aan concurrentiekracht, lang mee te maskeren. Spanje en Ierland maakten een ongekende hausse door in de onroerendgoedmarkt.

Anno 2009 is alles anders. De zeepbel in Spanje en Ierland is geknapt, Italië moddert voort en Griekenland verkeert in zwaar weer. Het ligt voor de hand de problemen grotendeels te wijten aan de kredietcrisis en de zware recessie die daar op is gevolgd. Maar dat gaat voorbij aan de dynamiek van de muntunie zelf. Nu devaluatie niet meer mogelijk is, blijkt dat er onvoldoende maatregelen zijn getroffen om economische oververhitting, of dat nu hoge inflatie, oplopende arbeidskosten of een vastzeepbel is, tegen te gaan.

De arbeidskosten per eenheid product, een erkende maatstaf voor de concurrentiekracht, zijn sinds 2001 met 25 tot 30 procent gestegen in Italië, Spanje, Ierland. De Grieken spannen de kroon met een stijging van bijna 30 procent. Dat is een heel verschil met Frankrijk of Nederland, die de kosten van de productie slechts met 15 tot 20 procent zagen stijgen. Duitsland maakte zelfs een stijging door van ver onder de 10 procent.

Ziedaar het probleem van de euro: devalueren kan niet meer, dus het verlies aan concurrentiekracht kan alleen worden goedgemaakt door een bovengemiddelde stijging van de arbeidsproductiviteit – of door verregaande loonmatiging. Het alternatief is een structureel lagere economische groei, een uitholling van de belastinginkomsten en toenemende begrotingsproblemen. En als de financiële markten er niet langer op vertrouwen dat de problemen worden opgelost, stijgt alsnog de rente op de staatsschuld. De positieve spiraal die de invoering van de euro veroorzaakte, keert om in een negatieve spiraal.

Griekenland heeft daarbij nog extra tegen dat het tot tweemaal toe heeft moeten toegeven met de statistieken over de begroting te hebben gefraudeerd. Het werkelijke tekort was in beide gevallen tweemaal zo hoog als gerapporteerd. De eerste fraude zorgde er voor dat het land voldeed aan de toetredingscriteria voor de euro, de tweede stamt van dit jaar: het Griekse begrotingstekort blijkt bijna 13 procent te bedragen. Kredietbeoordelaar Fitch veroorzaakte vorige week grote deining door de beoordeling van de Griekse schuld te verlagen naar BBB+. En dat maakt Griekse staatsschuld alleen nog maar onaantrekkelijker, zorgt voor een koersdaling van staatsobligaties, waardoor de rente verder is opgelopen.

De angst voor Griekenland is goed te zien aan de premies die op de beurzen worden gevraagd om bezitters van Griekse staatsobligaties te verzekeren tegen wanbetaling: die liepen in het heetst van de kredietcrisis flink op, daalden daarna weer, maar zijn door de argwaan over Griekenland onlangs weer sterk gestegen. (zie grafiek)

Wat kunnen de europartners doen voor Griekenland? In principe niets, want dat was oorspronkelijk de bedoeling in het Verdrag van Maastricht. Landen die de euro invoeren, mogen niet verantwoordelijk worden voor elkaars financiële problemen en elkaar uitkopen. Dat is terecht: zelfs een impliciete belofte van hulp zou Griekenland afhouden van de harde economische en budgettaire maatregelen die nodig zijn. En waar steun voor Griekenland nog wel te betalen valt, zou Italië echt in de papieren gaan lopen. De echte problemen moeten namelijk nog komen: veel zuidelijke landen hebben weinig of niets opzij gezet voor de oudedagsvoorziening.

De vette jaren van de euro zijn dus definitief over. Het wordt de vraag hoe de eurolanden straks omgaan met de magere. Juist daardoor stijgt de Griekse kwestie uit boven die van een lokaal probleem in een klein land aan de rand van de eurozone. Het is een testcase voor de muntunie zelf.

    • Maarten Schinkel