Santpoortse feestweek

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

In Amsterdam Zuidoost vlak bij de Arena is vanavond de Fun Fair Boulevard geopend. Het 'mobiele pretpark' heeft twee achtabanen waarvan een 1km lang is, een wildwaterbaan en het grootste mobiele reuzenrad van Europa. De kermis staat er nog tot 26 juni. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

Het was augustus 1978 en het wilde maar niet zomeren. Daar was ook geen enkele reden toe; Jolanda had mij verlaten. Ik had alles gedaan wat ik kon om haar terug te krijgen. Maar geen enkele poging werd beantwoord. Uiteindelijk ben ik voor haar deur doorgedraaid. Ziek van verdriet had ik mij na die uitbarsting naar huis gesleept. Vijf dagen en vijf nachten lag ik in bed. Nooit had ik mij ziek hoeven melden, tot dat moment. Liefdesverdriet was het meest venijnige virus dat mij ooit had geveld.

Ik was wekenlang een schim van mezelf: in de haven werkte ik op de automatische piloot, de lessen van mevrouw Van den Oever kwamen niet meer binnen en de grappen en grollen van Mustapha deden me niets. Geen enkele maaltijd smaakte me meer en buiten kwam ik alleen als het nodig was.

„Kijk je nu eens liggen”, zei Mustapha. „Je lijkt je broer Moha wel.” Ik lag onder een deken op de bank in de huiskamer. Het was een zaterdagmiddag en we waren net terug van ons werk. Naast Mustapha stonden Kemal en zijn vrouw Hulya. Alledrie keken ze bezorgd.

„Alsjeblieft, abe”, zei Kemal. „Kom, laten we naar buiten gaan, dit is niet goed voor je.” Ik schudde mijn hoofd en trok de deken verder over me heen. „Amana godüm”, vloekte Kemal. „Ik kan dit niet meer aanzien.” Hij stak zijn handen onder de deken en pakte me vast bij mijn enkels. Mustapha greep mijn polsen vast. „Hulye, pak z’n schoenen”, zei Kemal. Ze trokken me van de bank en tilden mij naar buiten. Ik had de energie niet om te protesteren, voor mijn part hadden ze mij in de Noordzee gegooid.

Terwijl ze me door IJmuiden droegen, liep Hulya achter ons aan met mijn schoenen in haar handen. Ze bleven eindeloos doorlopen. Ik deinde mee op het ritme van hun pas. Gelaten keek ik naar de voorbij trekkende wolken. In de verte klonk muziek. Mustapha en Kemal hielden op met lopen en zetten mij op de grond. „Doe je schoenen aan”, zei Mustapha streng. „En loop voor ons uit.” „Alsjeblieft, lieve Driss”, zei Hulya en gaf mij m’n schoenen. „Jij moet weer blij worden.”

Ik had het hart niet om de kleine, lieve Hulya iets te weigeren. Ik stapte in mijn schoenen en liep voor het trio uit. De muziek klonk uit de dorpsstraat van het nabijgelegen Santpoort. De Santpoortse feestweek was aan de gang. De dorpsstraat puilde uit van kermisattracties, eetkraampjes, bierbanken, draaiorgels en mensen uit Santpoort, IJmuiden, Haarlem en Driehuis.

Het feestgedruis was een hel van vrolijkheid. Kinderen met suikerspinnen in de hand renden door elkaar heen. Mensen liepen de polonaise op de harde muziek die uit elk café klonk. Ze droegen een geur met zich mee van verschaald bier en barbecueluchten. Wildvreemde mensen klampten mij aan om hun eetwaar of lootjes te verkopen. Anderen klampten mij zonder reden aan, uitzinnig van vreugde en dronkenschap. Het was alsof ze zagen dat ik wel wat plezier in mijn leven kon gebruiken. In de chaos van beelden en geluiden raakte ik mijn gezelschap kwijt.

Overal zag ik meisjes met blond haar. In elk van hen herkende ik Jolanda, wílde ik Jolanda herkennen. De emoties namen een loopje met mijn hersens. Mijn verwarring werd groter toen ik de zomerhit van dat jaar hoorde: You are the one that I want van Olivia Newton-John en John Travolta. Dit was het werk van de duivel. Hij zette alles op alles om mijn middag nog ellendiger te maken. Benauwd en gedesoriënteerd werkte ik mij door de massa heen. „Driss!” hoorde ik iemand roepen, en het was geen Mustapha, Kemal of Hulya.

Driss Tafersiti

    • Driss Tafersiti