'Laat problemen zien bij restaureren kunst'

Authenticiteit en intentie van de kunstenaar waren kernbegrippen bij conservering van kunst. Installaties zetten dat denken op z’n kop, betoogt Vivian van Saaze in haar proefschrift.

Nederland, Maastricht, 16-12-09 Vivian van Saaze. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Barnett Newmans Who’s afraid of red, yellow and blue III wekte in 1986 de woede van een bezoeker van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Met een stanleymes bracht hij grote schade toe aan het schilderij. Maar de jaren daarna rees de vraag of restaurator Daniel Goldreyer het doek niet veel meer kwaad had gedaan. Want hoe was de Amerikaan te werk gegaan? Met een verfroller? Met eenvoudige huis-tuin-en- keukenverf? Bestond Newmans oorspronkelijke schilderij nog wel?

Het denken over conservering van moderne kunst staat nog in de kinderschoenen. Bij de kwestie rond Who’s afraid of red, yellow and blue III ging het nog om een ‘eenvoudig’ schilderij, maar welke vragen doemen er niet allemaal op bij behoud en herstel van installatiekunst? Gebruikte materialen blijken erg vergankelijk. Film- en videotechnieken veranderen voortdurend. Kunstwerken verhuizen naar elders, waardoor de zo wezenlijk lijkende opstelling wijzigt.

Vivian van Saaze (34), opgeleid als cultuurwetenschapper, promoveert vandaag aan de universiteit Maastricht op Doing Artworks. A study into the presentation and conservation of installation artworks. Traditioneel draait het bij conserveren om authenticiteit en de intentie van de kunstenaar. Bij het behoud van moderne kunst, met name de installaties, is de onaantastbaarheid van die twee niet langer houdbaar, beweert Van Saaze. „Er worden tegenwoordig zelfs kunstwerken aangekocht die niet per se in hun eerste materiële conditie zullen voortleven. Die verworden tot een afbeelding of krijgen een nieuw leven als oral history.”

In Doing Artworks gaat het bijvoorbeeld over One Candle, een werk uit 1988 van de Koreaanse videokunstenaar Nam June Paik in het Museum für Moderne Kunst (MMK) in Frankfurt am Main. Een kaars wordt gefilmd en geprojecteerd op verschillende wanden. De presentatie verandert voortdurend: de opgebrande kaars wordt ingeruild voor een nieuwe, de oorspronkelijke projectoren zijn versleten en vervangen door modernere en in andere musea staan One Candles, gegeven in bruikleen, in een heel andere omgeving.

Een goede aanpak van installatiekunst begint volgens Van Saaze bij bewustwording. „In grote Amerikaanse musea als MoMA, Guggenheim en Getty is volop sprake van intern debat. Daar werken curatoren, conservatoren, registrators en vertegenwoordigers van andere disciplines samen. In Europese musea is dat nog veel minder het geval.”

Behalve in het MMK in Frankfurt liep Van Saaze voor haar onderzoek mee in het Van Abbemuseum in Eindhoven, het Bonnefantenmuseum in Maastricht en het S.M.A.K. in Gent. „Tussen conservatoren en restauratoren van diverse instellingen vindt veel uitwisseling van kennis plaats. Maar tussen collectiebeheerders en conservatoren binnen een instelling is er vaak een kloof. Terwijl coördinatie intern en contact met de kunstenaar vanaf en zelfs al vóór een aankoop wezenlijk zijn.”

De scheiding tussen wat in een museum voor de schermen (exposeren) en achter de schermen (onder meer conserveren) gebeurt, is bij installatiekunst niet langer houdbaar, vindt Van Saaze. Instellingen moeten de veranderende gedaantes van een werk en het waarom daarvan durven tonen aan het publiek. Bijkomend voordeel is dat, op het moment dat zo’n verhaal verteld wordt, de musea aan levendigheid winnen.

Maar zit de bezoeker op zulke openhartigheid te wachten? En gaat bij zoveel uitleg niet veel van de magie van kunst verloren? Volgens Van Saaze kan de aanpak per object en tentoonstelling verschillen. „Het hoeft in elk geval geen afbreuk te doen aan de beleving. Het kan juist wat extra’s geven.”

Van Saaze kan zich voorstellen dat instellingen last hebben van enige koudwatervrees. Wie zit te wachten op verhitte debatten als dat rond de restauratie van het schilderij van Barnett Newman? Maar dat mag openheid niet in de weg staan, vindt de onderzoekster. „Maak de gang van zaken transparanter. Er is niet één waarheid. Laat zien dat er verschillende gezichtspunten zijn, dan kunnen bezoekers vergelijken. Mensen laten nadenken over de vraag waar ze eigenlijk naar kijken. Daar zijn musea voor.”

Volgens Van Saaze is haar proefschrift slechts een eerste aanzet tot discussie. Zelf zal ze meewerken aan New strategies in conservation of contemporary art, een gezamenlijk onderzoeksprogramma van de Universiteit Maastricht, het Instituut Collecties Nederland en de Universiteit van Amsterdam. „Dat moet theorieën en ethische richtlijnen opleveren, waar de praktijk mee verder kan.”